Onderbouwing 1000 uur in bovenbouw ontbreekt
Scholen positief over verantwoording naar ouders en leerlingen over urennorm
Scholen in het voortgezet onderwijs zijn positief over het voorstel om zich te verantwoorden naar ouders en leerlingen over de urennorm. Ook erkent de commissie Cornielje dat de huidige norm niet haalbaar is. Het is teleurstellend dat een onderbouwing van de 1000 uur in de bovenbouw ontbreekt. Daarnaast is er onvoldoende aandacht voor de benodigde financiële ruimte en het beschikbare budget voor vervanging van zieke docenten.
Het feit dat de commissie uitgaat van vertrouwen in de docenten, de leerlingen, de ouders en het bevoegd gezag is positief. Tot nog toe was er een sfeer van wantrouwen en uurtjes tellen. Die toon klinkt niet meer door in dit rapport. In de uitwerking van het rapport zien we wel een aantal zorgpunten. Daarin herkennen we de beperking die de commissie in haar opdracht heeft meegekregen. Het voorstel diende te passen binnen de huidige bekostiging en mocht geen afbreuk doen aan het inhoudelijke onderwijsaanbod.
Gezamenlijke verantwoordelijkheid
Het is goed om de verantwoordelijkheid voor kwalitatief onderwijs bij de scholen neer te leggen in samenspraak met ouders en leerlingen. Deze verantwoordelijkheid hoort bij de scholen thuis. Sjoerd Slagter, voorzitter VO-raad: “Scholen zijn verantwoordelijk voor goed en uitdagend onderwijs voor de leerlingen én voldoende lessen. Daarover gaan ze graag het gesprek aan met ouders en leerlingen.”
Om deze verantwoordelijkheid te kunnen nemen is het wel noodzakelijk dat schoolbesturen ook de ruimte hebben om dit waar te maken. Beperkingen zitten met name in budgettaire ruimte, vooral in de materiële bekostiging, en bijvoorbeeld in de discussie rond contacttijd van 750 klokuren voor docenten. Belangrijk is bijvoorbeeld de vraag of er voldoende faciliteiten zijn voor alle personeelsleden op de roostervrije dagen (ruimtes, computers etc.).
Eén norm voor boven- en onderbouw
We zijn het eens met een heldere norm. Dit geeft zowel scholen als ouders duidelijkheid.
Wat ons erg verbaast is dat de commissie één norm voor onder- en bovenbouw voorstelt van 1000 uur. Scholen zijn met name teleurgesteld over de norm van 1000 uur in de bovenbouw. Waar de commissie ervoor kiest de norm in de onderbouw te verlagen, blijft deze voor de bovenbouw gelijk.
In de praktijk blijkt dat een minimumnorm van 1000 uur, ook internationaal gezien, aan de hoge kant is. In de praktijk blijkt dat een minimumnorm van 1000 uur in de bovenbouw voor veel scholen niet haalbaar is. Het feit dat de onderwijstijd op groepsniveau wordt bekeken betekent wel een vermindering van de administratieve last voor scholen.
Doordat de norm van 1000 uur hoog is, kan dat de ruimte voor overleg met ouders en leerlingen over de invulling beperken. Verder maken we ons zorgen over een opmerking in het rapport over de organiseerbaarheid. Een smaller vakkenaanbod maakt het volgens de commissie beter mogelijk de onderwijstijd te realiseren. Slagter: “Een inperking van de keuzevrijheid voor leerlingen mag niet het uitgangspunt zijn voor het realiseren van de norm. Bovendien kan dit ongewild leiden tot schaalvergroting als scholen toch een goed en betaalbaar keuzeaanbod voor leerlingen in de bovenbouw overeind willen houden.”
Een misser is dat in het rapport uitgegaan wordt van gerealiseerde onderwijstijd, terwijl er niets gezegd wordt over ziekteverzuim. Dit verzuim ligt landelijk op ongeveer 5%, terwijl de bekostiging voor vervanging slechts 2% is.
De VO-raad is de sectororganisatie voor het voortgezet onderwijs