Onderwijsvernieuwingen slagen alleen met brede steun van scholen
Op 15 en 17 april vond in de Tweede Kamer het eerste debat plaats over het rapport van de Commissie Dijsselbloem naar de onderwijsvernieuwingen van de afgelopen twintig jaar. In de aanloop naar het debat riep de VO-raad de politiek op ruimte te geven aan scholen en leraren om de inhoud van het onderwijs te bepalen. Goede randvoorwaarden, zoals tijd en een adequate bekostiging, zijn hiervoor noodzakelijk. Tijdens het debat lichtte de commissie Dijsselbloem de conclusies en bevindingen toe.
Onderwijstijd en maatschappelijke stage
In het kader van de 1.040 urennorm pleit Dijsselbloem voor een schone definitie van lestijd, de commissie is van mening dat de maatschappelijke stage hier niet in thuis hoort. De commissie onderstreept daarbij het belang van een reële bekostiging voor onderwijstijd. Dit sluit aan bij de eerdere eis van de VO-raad een grondig onderzoek te starten naar de relatie tussen onderwijskwaliteit, onderwijstijd en bekostiging. Voor wat betreft de maatschappelijke stages is de VO-raad van mening dat veel scholen al bezig zijn met burgerschapsvorming. Om tegemoet te kunnen komen aan de diversiteit van leerlingen is het nodig dat scholen de vrijheid krijgen om te bepalen voor welke groep leerlingen de maatschappelijke stage een goede invulling is.
Examens
De commissie kwam tijdens het debat terug op de verplichting dat leerlingen zowel voor het centraal schriftelijk als het schoolexamen voor alle vakken een voldoende moeten halen. Dijsselbloem pleit voor een meer waardevast diploma. Het CITO onderzoekt momenteel, in nauwe samenwerking met de VO-raad, op welke manier dit het beste kan worden bereikt. De
VO-raad vindt het positief dat de commissie adviseert de eis voor een voldoende op zowel het
CE als SE los te laten, het getuigt van vertrouwen in de professionaliteit van leraren en scholen.
Vertrouwen
Dijsselbloem liet weten zeer terughoudend te willen zijn om via wetgeving in te grijpen in de relatie tussen management en docenten. Het gaat volgens hem om het vertrouwen dat hersteld moet worden. De suggestie van de PvdA om het geld van de overheid rechtstreeks aan de scholen te geven in plaats van de besturen van grote groepen scholen, wijst Dijsselbloem dan ook af. In de politiek heerst het beeld dat steeds minder besturen steeds meer scholen onder hun hoede hebben. In de praktijk blijkt dit beeld niet te kloppen. In het voortgezet onderwijs neemt het aantal scholen sinds 1998 af. Het aantal schoolbesturen daalt evenredig mee.
Uit het debat bleek dat de Kamerleden zeer bereid zijn lessen te trekken uit het verleden. De conclusie dat vernieuwingen alleen kunnen slagen wanneer er sprake is van intrinsieke motivatie op het niveau van scholen en docenten, wordt breed ondersteund. De VO-raad heeft in dit kader gewezen op de goede voorbeelden van scholen die met onderwijsvernieuwing bezig zijn, die gedragen worden door docenten, recht doen aan de eigenheid en diversiteit van leerlingen en waarbij ouders tevreden zijn over de leeropbrengsten. Over enkele weken komt het kabinet met een beleidsreactie. Van 17 tot 19 juni vindt het debat plaats tussen de Kamer en het kabinet (data onder voorbehoud).
De VO-raad is de sectororganisatie voor het voortgezet onderwijs