PvdA steunt kleinschaligheid
De VO-raad is het eens met Tweede-Kamerlid Staf Depla (PvdA) dat scholen de ruimte moeten krijgen om kleinschaligheid te creëren. Staf Depla zei dat vooruitlopend op het debat over onderwijsvernieuwingen in de Tweede Kamer ( Metro 16 juni ‘08). Kleinschaligheid is noodzakelijk voor kwalitatief goed onderwijs. Sinds de ontwikkeling naar grote scholengemeen-schappen organiseren VO-scholen kleinschaligheid op verscheidene manieren. De VO-raad is blij dat de PvdA groot belang hecht aan het oplossen van (financiële) belemmeringen die het organiseren van kleinschaligheid in de weg staan.
De PvdA wil volgens Depla scholen de ruimte geven om zich te kunnen opdelen, omdat het voortgezet onderwijs terug moet naar de ‘menselijke maat”. De kwaliteit van de relaties ‘kennen en gekend worden’ is volgens schoolleiders, docenten, leerlingen en ouders het belangrijkst voor een menselijke maat. De omvang van een vestiging is daarbij niet relevant. De manier waarop de kleinschaligheid georganiseerd wordt, dient daarbij uiteraard wel de keuze van de school te zijn.
Het kleinschalig en flexibel kunnen organiseren van het onderwijs is onder andere een voorwaarde om meer onderwijs op maat te kunnen realiseren. Onderwijs op maat is noodzakelijk om elke leerling te kunnen stimuleren het maximale uit zichzelf te halen. Dit is voor zorgleerlingen belangrijk. Maar ook reguliere leerlingen in de beroepsgerichte leerwegen en in het avo moeten worden uitgedaagd om al hun talenten maximaal te ontwikkelen.
Kleinschaligheid kan georganiseerd worden op het niveau van het personeel, dat werkt in herkenbare/overzichtelijk teams en de ruimte krijgt om zijn kennis en talenten in te zetten. En op het niveau van de leerlingen, die binnen hun school of afdeling gekend worden en alle kansen krijgen om hun talenten en mogelijkheden te ontplooien. En ook voor ouders voor wie de (her)kenbaarheid van de eenheid, waarin hun kinderen op school functioneren, belangrijk is. Uit onderstaande voorbeelden blijkt dat scholen kleinschaligheid al organiseren op de manier die past bij de school en de leerlingen.
Voorbeeld: Katholieke Scholengemeenschap Etten-Leur
Bij de verdeling van de leerlingen over de gebouwen wordt uitgegaan van het leerjaar waarin de leerling zit, niet van de onderwijsvorm. Door deze inrichting en organisatie heeft iedere leerling in feite alleen te maken met zijn eigen "leshuis", een apart deel van het gebouw, bestemd voor leerlingen van een bepaald leerjaar. Zo'n jaargroep omvat ongeveer 500 leerlingen, van vmbo-t tot en met gymnasium.
Elk leshuis heeft een eigen ingang, een eigen schoolplein met fietsenstalling, een kantine, conciërge en garderobe. De leiding is in handen van een conrector, samen met een coördinator.
De brugklassers hebben een eigen thuis op de KSE. Het aparte brugklasgebouw ligt op ongeveer 300 meter afstand van het hoofdgebouw.
Door deze leshuis-inrichting is deze school voor de leerling kleinschalig: de leshuizen zijn overzichtelijk, voor de leerling is het zijn eigen, kleine school. Dit gaat samen met de voordelen van het groot zijn van de school als geheel: prima voorzieningen, veel mogelijkheden voor goed onderwijs en voor allerlei activiteiten naast de lessen.
Voorbeeld: Dockinga College te Dokkum
Het Dockinga College telt veel leerlingen. Om hen goed op te vangen en te begeleiden zijn er zes kleine onderwijseenheden gevormd, met een eigen team van personeelsleden en niet meer dan (ongeveer) 500 leerlingen. De schoolorganisatie bestaat –naast de centrale directie - uit de onderwijseenheden, een administratieve dienst en een dienst onderhoud, huisvesting en beheer.
De scholengemeenschap heeft al jarenlang goede ervaringen met het model dat sinds 1998 in gebruik is. De zes onderwijseenheden hebben elk een directeur, een eigen conciërge en administratie, een eigen kantine/aula en voorplein en een eigen lerarenkamer. Daardoor is de leerplek voor de leerling heel overzichtelijk. Voor het kernteam van elke eenheid ook. De directeur wordt geassisteerd door teamleiders en mentoren. Al met al een goede opzet, waarbij elke eenheid (meestal) niet meer dan 500 leerlingen kent. Zo blijft het principe van ''ons kent ons'' goed vast te houden. De centrale directie (twee leden) vormt samen met de zes onderwijsdirecteuren en de hoofden van dienst het managementteam voor de gehele scholengemeenschap.
De ervaring hier is dat deze indeling voor leerlingen en ouders heel helder is en voor leraren goed bruikbaar. Op de grenzen tussen de eenheden moet samengewerkt worden onder leiding van de betreffende onderwijsdirecteuren om de doorstroming goed plaats te laten vinden. Het begrip 'leerfabriek' kennen zij niet.
Meer informatie
Alexandra Haijkens
- Links
- Sectoragenda
- Meer nieuwsberichten
- 23-05
APS zoekt met spoed scholen voor project Veiligheid en Zorg - 23-05
Procedure controversieel verklaren opnieuw uitgesteld - 23-05
Mijn ID-campagne voor seksuele diversiteit binnenkort van start - 21-05
Programma van Eisen Frisse Scholen vernieuwd - 16-05
Experimenten prestatiebeloning van de baan
De VO-raad is de sectororganisatie voor het voortgezet onderwijs