X
De VO-raad is de sectororganisatie voor het voortgezet onderwijs
Inloggen voor leden
Home > Persberichten

Eis 1,2 miljard voor lerarentekort

24 maart 2007

'Aan het werk in het VO'

PERSBERICHT VO-RAAD – AOB - ABVAKABO FNV - CNV ONDERWIJS - CMHF

Utrecht, 24 maart 2007

De VO-raad, AOb, ABVAKABO FNV, CNV Onderwijs en CMHF willen een bedrag van structureel € 1,2 miljard euro om nieuw elan in het voorgezet onderwijs te brengen. Deze organisaties roepen daarom het kabinet op om mee te werken aan de versterking van de onderwijskwaliteit en arbeidsmarktpositie van de VO-sector. De aangekondigde bezuinigingen en schijninvesteringen moeten worden omgebogen in échte investeringen.
Aan het eind van de kabinetsperiode zouden de eerste concrete resultaten zichtbaar moeten zijn.

Ruim een miljoen Nederlanders hebben dagelijks met het voortgezet onderwijs te maken. 900.000 als leerling, 100.000 als medewerker. Het VO is daarmee een van de grootste sectoren in Nederland. Het is strategisch gezien ook een van de meest belangrijke succesfactoren voor de toekomst van het land, zeker voor de kenniseconomie.
Sociale partners in het voortgezet onderwijs doen gemeenschappelijk een klemmend beroep op het nieuwe kabinet om te investeren in een integraal pakket van maatregelen waarmee de positie van het voortgezet onderwijs zal worden verbeterd. Alleen op deze manier kan de kwaliteit van het voortgezet onderwijs worden behouden.

Lesuitval
Jarenlange onvoldoende investeringen hebben geleid tot een slechte arbeidsmarktpositie van het voortgezet onderwijs. De lesuitval is niet of nauwelijks op te vangen. Het aantal lessen dat door onbevoegde en onderbevoegde docenten moet worden gegeven neemt toe en de instroom in de lerarenopleiding neemt steeds verder af. Sociale partners delen de maatschappelijke wens om het voortijdig schoolverlaten en lesuitval terug te dringen. Ouders en leerlingen moeten er van op aan kunnen dat kwalitatief goed onderwijs wordt geleverd en dat daarvoor de afgesproken onderwijstijd ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd.

Inkomenspositie
Uit onderzoeken blijkt dat de inkomenspositie van het onderwijspersoneel in het voortgezet onderwijs fors achterloopt bij de markt en bij de andere overheidssectoren. Als gevolg van de vergrijzing dreigt er een enorm lerarentekort waardoor straks meer dan 10% van de lessen niet meer kan worden gegeven.
Daarom moet werken in het voortgezet onderwijs aantrekkelijker worden gemaakt door de invoering van een nieuw salarisbouwwerk, met kortere salarislijnen. Sociale partners wensen in staat gesteld te worden een nieuw salarisbouwwerk tot stand te brengen dat past bij een marktconforme positie. De gesignaleerde inkomensachterstand is onder andere een achterstand op lifetime basis. Die wordt veroorzaakt door de lange salarislijnen. Daarnaast zal er ook voldoende budget beschikbaar moeten zijn voor generieke loonsverhogingen.

Arbeidsomstandigheden
Fatsoenlijke werkplekken ontbreken en de klimaatbeheersing binnen veel scholen laat te wensen over. Bovendien is de werkdruk hoog in het onderwijs. Voor docenten zijn contacttijd, ontwikkelingstijd en groepsgrootte bepalende elementen. Maar ook de sociale problematiek die steeds duidelijker zichtbaar wordt binnen de instellingen is hierbij een factor die niet uit het oog verloren moet worden. De instellingen moeten in de gelegenheid worden gesteld deze problemen adequaat aan te pakken.

Bezuinigingen en schijninvesteringen
Ondanks deze feiten constateren sociale partners dat er in het coalitieakkoord sprake is van bezuinigingen en schijninvesteringen in het voortgezet onderwijs. Zo is er sprake van het afschaffen van een fusieprikkel, wat voor de betreffende scholen simpelweg een korting is op het budget. Er wordt aangegeven dat schoolboeken gratis worden, wat op zichzelf genomen een sympathieke (gezinspolitieke) maatregel is, maar het geld daarvoor moet worden aangemerkt als een onderwijsinvestering waar het voortgezet onderwijs niet van profiteert. Tenslotte zal voor alle betrokkenen controleerbaar moeten zijn wat er van de plannen terecht komt.

Bijlage financiën

Sociale partners willen investeren in het hart van het voortgezet onderwijs. Investeringen die echt leiden tot kwaliteitsverbetering, tot het terugdringen van lesuitval en voortijdig schoolverlaten en ook een verbetering van de arbeidsmarktpositie van het onderwijspersoneel. De concrete plannen van het kabinet (bezuinigen op het primaire proces en een koopkrachtmaatregel) stemmen niet hoopvol. Sociale partners willen daar de volgende investeringsagenda tegenover stellen:

  • Ongedaan maken van de bezuiniging van € 84 miljoen (‘fusieprikkels VO’) . Daarnaast willen sociale partners wel de discussie aangaan over een evenwichtige bekostiging. Hiervoor is een extra investering van € 100 miljoen nodig.
  • De maatregel ‘gratis schoolboeken´ is geen echte investering in onderwijs.
    Sociale partners willen een extra budget van € 300 miljoen voor werkdrukvermindering en professionalisering.
  • Investeringen in de arbeidsmarktpositie van onderwijspersoneel.
    Doordat er jarenlang onvoldoende is geïnvesteerd heeft dit een arbeidsmarktachterstand in salarissen opgeleverd, die kan oplopen tot ruim 20% (Nota werken in het onderwijs 2007). Een marktconforme beloningsstructuur vergt een investering van € 350 miljoen.
  • Investeren in het terugdringen van lesuitval.
    De instellingen dienen te voldoen aan de onderwijstijd. Om lesuitval te voorkomen, dient de vergoeding van 2,07% aangepast te worden aan het feitelijk verzuim van, op dit moment, 5,7%. Met deze stijging is een bedrag gemoeid van € 45 mln.
  • De bekostiging van de BAPO loopt uit de pas met het daadwerkelijke gebruik. Sociale partners vinden het gewenst dat ook senioren aan het arbeidsproces kunnen blijven deelnemen. Om dit beleid ook de komende jaren te kunnen continueren is een extra bedrag van € 80 miljoen nodig.
  • Een toereikende materiële vergoeding bieden.
    Ook aan de materiële kant zijn forse investeringen nodig. OCW heeft het recente onderzoek naar de toereikendheid van de materiële bekostiging op 12 december 2006 aan de Tweede Kamer aangeboden. Dit onderzoek laat zien dat het voortgezet onderwijs structureel tussen de € 110 en € 195 miljoen tekort komt om regulier onderhoud te plegen aan gebouwen en inrichting. En dan is nog geen rekening gehouden met vernieuwende investeringen. Wil de sector kunnen investeren in een innovatieve leeromgeving dan is € 250 miljoen noodzakelijk.

In totaliteit gaat het om een pakket van investeringen met een waarde van € 1,2 miljard structureel voor personeel en materieel.