Algemene Ledenvergadering
De macht in en van de school
Je zou verwachten dat Immanuel Kant zeer geliefd is bij Nederlanders, want deze Pruisische filosoof schreef in zijn lange leven alleen maar Kritieken: 'Kritik der reinen Vernunft', 'Kritik der praktische Vernunft' en 'Kritik der Urteilskraft'. Nederlanders houden namelijk van kritiek. Van het leveren van kritiek wel te verstaan. Dat doen ze gul en bij voorkeur ongevraagd.
Vandaar het leger aan columnisten, dat in de Nederlandse media dagelijks zijn gal spuwt. Vanaf de zijkant schieten ze uit de heup op alles wat macht bezit, in het bijzonder op managers en bestuurders. Columnist zijn heeft in vergelijking met het ministerschap zo zijn voordelen, erkende minster Plasterk laatst in een interview bij Buitenhof: je kunt ongenuanceerd je mening geven, zonder verplichting deze afdoende te onderbouwen, en desgewenst eens flink op de persoon spelen. Met name dat laatste doen columnisten graag en veel, zoals ik in mijn huidige functie meermalen heb mogen ervaren.
Maar af en toe overtreft een columnist zichzelf en slaat hij de spijker op de kop. Zo schreef Leo Prick nog niet zo lang geleden over de macht in de klas en in het verlengde daarvan over de macht in de school. Daarmee zitten we ineens middenin een uiterst actueel thema, waarover ik het vandaag met u zou willen hebben.
Nederlandse scholen bezitten een grote mate van vrijheid. Ze zijn vrij in de keuze van leermiddelen (als Europa en de boekdistributeurs ons tenminste niet te zeer dwarszitten), vrij in hun personeelsbeleid en vrij in de inrichting van de school als leef- en werkgemeenschap.
Dankzij die vrijheid is er in Nederland rijk geschakeerd (voortgezet) onderwijs ontstaan, met een breed pallet aan onderling sterk verschillende scholen, die tezamen ons pluriforme bestel vormen.
Die vrijheid is echter geenszins vanzelfsprekend. Bijna overal in Europa is er sprake van een centraal geleid systeem van benoemingen en van centraal voorgeschre-ven leermiddelen, en gelden er uniforme regels voor lestijden en lessentabellen. De terughoudende opstelling van de Nederlandse overheid heeft het Nederlandse onderwijs wel - en nog altijd! - in de top van de qua onderwijs best scorende landen in Europa gebracht.
In zijn artikel gaat Prick vooral in op de - in de ogen van de docent - vanzelfsprekende vrijheid van de docent in de klas. Prick beschrijft leraren die vanuit een zekere nostalgie terugblikken op hun loopbaan en met trots gewag maken van “die speciale sfeer waarbij leraar én leerling zich weinig gelegen lieten liggen aan de schoolregels”.
Natuurlijk, het heeft een zekere charme, zo’n studentikoze, onaangepas-te intellectueel, die zich niet laat hinderen door zoiets onnozels als schoolregels. Maar verrassend genoeg breekt Prick vervolgens een lans voor schoolleiders die de teugels aantrekken en samenwerking eisen. Zelfs Leo Prick realiseert zich dat vrijheid van onderwijs iets is wat je moet verdienen.
Net zoals schoolleiders aangesproken mogen worden op hun verant-woordelijkheid en verantwoording moeten afleggen over behaalde resultaten, zo mogen docenten aangesproken worden op hun pedagogische en didactische verantwoordelijkheid. Managers die eisen dat medewerkers zich conformeren aan afgesproken regels en vastgesteld beleid, beknotten docenten niet in hun vrijheid. Integendeel: zij zorgen ervoor dat de professionele en normatieve autonomie van de docent behouden blijft!
Wat geldt voor docenten, collega’s, geldt ook voor bestuurders en schoolleiders. Ook wij beschouwden de losmaking van ‘Den Haag’ als een gemakkelijk verkregen vrijheid, die we gingen koesteren en die we niet meer kwijt wilden. We waren oprecht blij dat we af waren van al die regels en voorschriften (al is het een open vraag in hoeverre we daar daadwerkelijk vanaf zijn). Weliswaar voorzichtig maar niettemin overtuigend zetten we de eerste stappen op weg naar lumpsum en doordecentralisatie. Het voelde goed die vrijheid, zo goed dat we al snel in koor riepen: “Nooit meer bemoeie-nis vanuit ‘Den Haag’.” Het was dan ook niet voor niets dat bij de komst van de VO-raad van alle kanten gewaarschuwd werd voor een nieuw ‘Den Haag’, dat zijn eigen voorschriften en regels zou gaan uitvaardigen.
Nog steeds bestaat er onder leden van de VO-raad een gevoeligheid om - vanuit de sector zelf - onszelf regels en standaards op te leggen (al hebben we met onze Code goed bestuur recent een eerste, niet onbelangrijke stap gezet). Er bestaat - net als bij die docent van Leo Prick - een zekere weerzin tegen afspraken en regels - en je daar vrijwillig aan conformeren. Zeker als het regels en afspraken betreft waar je zelf niet voor was.
We weten allemaal dat besluitvormingsprocessen binnen een school kunnen leiden tot uitkomsten waar individuele docenten grote onvrede mee hebben. Maar ook wij moeten leren dat je nooit ten aanzien van alles je zin kunt krijgen. Dat is een belangrijk leerproces voor zowel elke individuele school als voor onze hele sector.
Momenteel maakt de VO-raad een ontwikkeling door van een belangen-organisatie naar een brancheorganisatie. Deze ontwikkeling vloeit voort uit het inzicht dat het belang van de sector meer is dan de optelsom van onze individuele schoolbelangen. We merken steeds meer en steeds scherper dat een gezamenlijk belang, waar we ons allemaal vol overtuiging achter kunnen scharen, niet zo gemakkelijk te definiëren valt. Waar in ons bestel scholen vaak enorme verschillen vertonen, daar verschillen ook al gauw de belangen. Een middeling van die individuele belangen resulteert doorgaans in een slap aftreksel, waar niemand echt warm voor loopt. En natuurlijk is in sommige dossiers ons gemeenschappelijke belang zeer helder en staan we als een klassieke belangenorganisatie pal voor de belangen van onze leden.
Maar naast deze belangenbehartiging moeten we ook oog houden voor de ontwikkeling naar dat brede branchebelang. Een belang dat vóór alles samenhangt met de centrale taak van onze sector: het verzorgen van kwalitatief goed en hoogwaardig onderwijs. Dit is een moeilijk te overschatten maatschappelijk belang.
Eerlijk gezegd hebben we ook geen andere keus dan ons in te zetten voor het branchebelang. Als wij niet zelf de verantwoordelijkheid voor al die maatschappelijke vragen, wensen en verlangens nemen, gaan anderen (lees: politici) dat voor ons doen en gaan zij ons de oplossingen weer voorschrijven. Door zelf de vragen te herkennen en te erkennen, hebben we ook invloed op de beantwoording ervan.
Ik wijs op de uitwerking van onze sectoragenda. Er is komende periode 200 miljoen beschikbaar voor de doelen die wij als sector hebben opgesteld. Zo zijn scholen volop bezig invulling te geven aan het op een hoger peil brengen van de referentieniveaus voor lezen en rekenen. We investeren in de ontwikkeling voor een early warning-systeem voor zwakke scholen. We werken aan de kwaliteitsborging van schoolexamens.
Komende maand verwachten we het rapport van de commissie Corniel-je. We zijn betrokken bij de veldraadplegingen, maar zullen niettemin kritisch bezien of daadwerkelijk is tegemoet gekomen aan onze bezwaren. En net zo kritisch zullen we de ontwikkelingen rond de schoolboeken, de verzwaarde examens en passend onderwijs blijven volgen.
Bij het innemen van standpunten en het leveren van kritisch commentaar blijft het essentieel dat te doen vanuit een gesloten VO-front en met zoveel mogelijk allianties van ouders, docenten en leerlingen. Hier organiseren we de tegenspraak, hier bevragen we elkaar kritisch en hier uiten we ons ongenoegen en dragen we verbeteringen en vervolgstappen aan. Maar naar buiten zijn we één rijkgeschakeerd, pluriform én verenigd VO-veld. Daarin schuilt onze kracht en daarvoor zal ik me blijven inzetten. Daaraan mag u ons houden en daarop mag u mij aanspreken.
De VO-raad is de sectororganisatie voor het voortgezet onderwijs