X
De VO-raad is de sectororganisatie voor het voortgezet onderwijs
Inloggen voor leden
Home > Toespraken

Nieuwjaarsbijeenkomst Sjoerd Slagter

4 september 2008

Toespraak Sjoerd Slagter, voorzitter VO-raad, tijdens de nieuwjaarsbijeenkomst van de VO-raad in Utrecht.

NB: Alleen het gesproken woord geldt.

Welgeteld twee medailles, één gouden en één zilveren, namen onze zuiderburen van Peking mee naar huis. Het alom geroemde ouderwets-degelijke onderwijs dat Belgische scholen schijnen te verzorgen, leidt in ieder geval niet tot grootste Olympische prestaties. Nee, dan wij calvinistische Nederlanders! Maar liefst zeven gouden, vijf zilveren en vier bronzen medailles! In Peking hadden we in ieder geval weinig last van die vermaledijde zesjescultuur. Het zou mooi zijn als we hier een verband met ons onderwijs konden leggen.

Het nieuwe schooljaar is deze week echt begonnen: alle scholen in Nederland draaien weer. Onze collega’s in het noorden zijn zelfs al weer ruim twee weken aan de gang en - gezien de hectiek van de eerste schoolweken - inmiddels al vergeten dat het ooit vakantie was. Wat kunnen we van het nieuwe schooljaar verwachten? Welke kant gaat het in het onderwijs op? Wat kunt u van de VO-raad verwachten?

Eén ding is duidelijk: de samenleving zal steeds meer en steeds hogere eisen aan het onderwijs stellen. Of we als Nederland, als Europa, de snelle ontwikkelingen in landen als China en India ook maar enigszins kunnen bijbenen, zal grotendeels afhangen van de prestaties van ons onderwijs, van onze scholen, van onze docenten. Nederland, mag niet achterop raken. Raising the standards noemen ze dat in Amerika: het optimaal benutten van talent, streven naar excellentie, geen achterblijvers of uitvallers. Van een zesjesmentaliteit naar een elf- of twaalfmentaliteit! Onderwijs kan niet hoog genoeg op de politieke agenda staan. Het voortgezet onderwijs als rangeerstation voor de toekomst. Vrijwel alle grote problemen die we op ons af zien komen - van opwarming van de aarde tot neergang van de economie - het is telkens het onderwijs waar we oplossingen van moeten verwachten. Het voortgezet onderwijs als toegangspoort naar een baan, naar behoud van welvaart, naar een rechtvaardige samenleving.

En dat weten onze leerlingen maar al te goed. Jongeren zijn zich al vroeg bewust dat ze mee moeten in een ontwikkeling die iets heeft van een ratrace. Ze moeten voortdurend kiezen en voortdurend hun positie bevechten. Nederlandse jongeren scoren slecht als het gaat om drink- en blowgedrag, maar tegelijkertijd zijn nergens anders zoveel jongeren als vrijwilliger actief.
Waar wij onze computer en mobieltje gebruiken als een - inmiddels onmisbaar – instrument , vormt de ICT-wereld voor jongeren een space, waarin ze leven, vrienden maken en zichzelf ontdekken.

Technologie verandert ons leven, verandert onze leerling, verandert onze school. Wie had twintig jaar geleden durven voorspellen, dat anno 2008 zo’n tachtig procent van de beroepsbevolking vrijwel de gehele dag voor een beeldscherm zit. Het onderwijs leidt op voor de samenleving. Maar welke samenleving? Dat is steeds lastiger te voorspellen. Het enige wat onomstotelijk vaststaat, is dat de veranderingen steeds sneller gaan.

In deze context moeten we dan ook de roep om meer aandacht voor basisvaardigheden, om beter reken- en taalonderwijs, om verzwaring van examens begrijpen. Dit afdoen als nostalgie, als ‘heimwee naar hbs of ambachtsschool’, is iets te gemakkelijk. Ja, we behoren nog steeds tot de top van Europa en buitenlandse studenten komen nog steeds graag naar Nederland. Maar deze positie is niet meer vanzelfsprekend. Over de hele linie kunnen we beter : meer maatwerk en minder uitval, geen doodlopende leerroutes maar kansen voor talent, integratie in plaats van tweedeling.

Er worden vandaag hoge eisen gesteld aan het onderwijs. Scholen moeten veel ballen in de lucht houden. Luisteren naar de samenleving, inspelen op veranderingen in de samenleving, aansluiten bij de belevingswereld van een nieuw soort leerling. Dat brengt veel verantwoordelijkheid met zich mee voor docenten, voor directies en management en schoolbesturen.

Nog niet zolang geleden verscheen een zeer interessante studie van het SCP, een studie die m.i. te weinig aandacht kreeg. Ik doel op het onderzoek met als titel: De school bestuurd. Dit onderzoek richtte zich op de nieuw verworven autonomie van schoolbesturen. hoe gaan schoolleiders en bestuurders eigenlijk om met die autonomie? Maken ze de verwachtingen waar? Doen ze wat ze moeten doen en is de school bij hen wel in goede handen? Het antwoord, beste mensen, is ja! Enkele conclusies uit het rapport:

Scholen luisteren naar hun omgeving en maken werk van maatschappelijke vragen. Bestuurders geven ruimte en stimuleren ontwikkelingen op de werkvloer. En ze laten ook zien dat luisteren naar de omgeving mag gaan ten koste gaan van de primaire onderwijstaak. Het Planbureau constateert verder - en dat is toch in buitengewoon verheugend - dat door meer autonomie de functie van zowel de bestuurder, de schoolleider als die van docent aantrekkelijker en uitdagender is geworden.

Wel is het zo dat schoolbesturen vooral tijd nodig hebben om aan hun nieuwe rol te wennen. Ze kiezen voor meer transparantie en ze willen zich beter verantwoorden, maar ze realiseren zich ook dat dit hoge eisen stelt aan de professionalisering van hun personeel en van henzelf. Het aantal professionele bestuurders in de sector groeit dan ook snel. Er wordt ernst gemaakt met het onderscheid tussen besturen en toezicht houden. De recent aanvaarde code Goed Bestuur draagt in belangrijke mate aan deze ontwikkelingen bij. Daarbij zien we ook dat niet één model heilig is, maar dat besturen heel eigen keuzes maken, passend bij hun specifieke situatie.

Het SCP-rapport betekent een hart onder de riem voor schoolleiders: scholen benutten de hun geboden ruimte, pakken hun verantwoordelijkheid en doen hier de goede dingen mee. Het onverholen wantrouwen vanuit de samenleving en de politiek jegens schoolleiders en bestuurders is dan ook zeer onterecht. Schoolleiders zijn te vertrouwen! Als wij zeggen dat we de kwaliteit van onze schoolexamens beter zullen borgen, dan mag de politiek erop vertrouwen dat we ook dóen.

De politiek moet eisen stellen, moet het niveau van ons onderwijs bewaken, mag ons op die eisen en dat niveau aanspreken. Maar zij moet ons niet voor de voeten lopen. Eis van ons dat we de kwaliteit van de examens borgen, maar schrijf niet voor welk cijfer wel en niet mee mag tellen. Eis van ons dat we aandacht schenken aan burgerschapsvorming, maar schrijf niet voor voor hoeveel uur of in welk vak. Eis van ons dat de reken- en taalprestaties omhoog gaan, maar schrijf niet voor hoe we dat moeten doen. Die oplossingen kan de politiek met een gerust hart overlaten aan de experts in de scholen. Tegen de Tweede Kamer zou ik willen zeggen: beschouw het rapport Dijsselbloem als een oproep om het gesprek aan te gaan over de rol van de overheid en die van het veld. Kies voor de dialoog met de sector i.p.v. de monoloog van regelgeving. In het eerste geval boor je energie en creativiteit aan. In het tweede geval verzet.

Voor ons geldt dat we de juiste BALANS moeten vinden tussen al die - soms tegenstrijdige - eisen en verantwoordelijkheden. Het juiste evenwicht tussen enerzijds de eisen vanuit de samenleving en anderzijds de primaire onderwijstaak van scholen: het leren lezen, schrijven en rekenen. Van belang is dat de politiek trouw blijft aan eenmaal gemaakte keuzes en ingezette ontwikkelingen tijd van leven gunt. Laat scholen gemaakte keuzen af- en waarmaken. De koers van het VO is indertijd zorgvuldig en met inbreng van alle betrokkenen vastgesteld. Dat kun je niet zomaar even terzijde schuiven ten gunste van de (politieke) waan van de dag. Wij moeten die ingezette koers vasthouden, werk afmaken, resultaat boeken.

Natuurlijk, het denken staat niet stil. Natuurlijk moet je je blijven afvragen of de koers nog juist is en moet je bereid zijn deze bij te stellen. Maar niet door 180 graden te draaien, want dan word je stuurloos. Het onderwijs mag geen zwalkend schip worden, ten prooi aan de luimen van politici. Ook daar zal de VO-raad zich hard voor maken.
De uitdagingen waar onze sector voor staat, vergen moeilijke keuzen. De Tweede Kamer, minister en staatssecretaris moeten zich realiseren dat scholen hierbij niet geholpen worden door het terughalen versleten ideeën over een maakbaarheid van bovenaf. Die tijd hebben we gehad.

Op koers blijven: dat is de opdracht voor komend jaar. Doorgaan met investeren in kwaliteit, blijven luisteren naar onze omgeving, blijven werken aan vertrouwen. Als VO-raad zullen we ons komend jaar inzetten voor een zelfverzekerde, koersvaste sector, die zich bewust is van zijn vele uitdagingen en verantwoordelijkheden, maar die zich niet tot speelbal laat maken van de politiek of van de waan van de dag.

Dat betekent dat we als sector met initiatieven komen voor de inzet van ICT en het lerarentekort,
dat we blijven investeren in de dynamiek van het vak van docent, dat we het gesprek hervatten over de huisvestingsgelden, dat we vaart maken in het verantwoordingsproject Vensters en dat we fors gaan investeren in de professionalisering van medewerkers: docenten en leidinggevenden.

Ik rond af. Uiteindelijk dient het onderwijs maar één doel en dat is het leren van jongeren.
Om jongeren optimaal te laten leren, moeten we als school aansluiten bij hun belevingswereld. Precies daar ligt onze grootste uitdaging, want die belevingswereld is veranderd, verandert nog steeds en zal steeds sneller veranderen. Robin van Galen, de succesvolle waterpolocoach, maakte in vier jaar tijd van 22 leerlingen een winnend team. Gedurende al die jaren gaf hij zijn speelsters één motto mee: ‘Gaan voor goud'. Beste mensen, laat dat komend jaar ons motto worden: GAAN VOOR GOUD!