X
De VO-raad is de sectororganisatie voor het voortgezet onderwijs
Inloggen voor leden
Home > Toespraken

Openingsconferentie Sjoerd Slagter

23 november 2006

Toespraak Sjoerd Slagter, voorzitter VO-raad, tijdens openingsconferentie
VO-raad op 23 november 2006 in Nijkerk.

NB. Alleen het gesproken woord geldt.

Verbinden, verheffen en vertrouwen

Er zijn van die momenten dat je stil staat, omziet en afweegt. Hoe zien de volgende vijf jaren
eruit? Een doorstart? Gefaseerde afbouw? BAPO? Of toch weer heel iets anders? Voor mij
kwam dat moment een maand geleden. Toen kwam die nieuwe uitdaging langs. Voor mij nog geen FPU. Geen pelgrimstocht naar Santiago. Sloterdijk en Nietsche blijven ongelezen op mijn bureau. En die kookcursus stel ik ook nog even uit. Tegen deze baan zeg ik ‘ja’. Voor mij nog geen FPU. Wel drie andere letters: drie keer V. De V van Verbinden, Verheffen
en Vertrouwen. Daar wil ik het vandaag graag met u over hebben.

De VO-raad
Wat bezielt me om ‘ja’ te zeggen tegen deze baan? Antwoord: hetzelfde wat u, wat ons
allemaal bezielt: met jongeren bouwen aan een toekomst. Net als u vind ik dat er werk te
doen is, dat we een grootste opdracht hebben: kinderen voorbereiden op de 21e eeuw. Ik
zeg ‘ja’ tegen deze baan omdat ik wil werken aan die opdracht. Dat deed ik eerder als leraar,
als directeur en als bestuurder. Ik ga dat nu doen als voorzitter van de sector. Een unieke
kans, een fantastische uitdaging en een eervolle opdracht.

Vandaag presenteren we de VO-raad. Ruim 600 scholen, meer dan 100.000 werknemers,
bijna één miljoen leerlingen: allemaal verenigd in één raad. Onze mensen - van de WVO en
van Schoolmanagers_VO – hebben hier onder aanvoering van Pieter en Carel, enorm hard
voor gewerkt. Met als resultaat: één VO-raad. Met leden die trots zijn op hun school, op hun
mensen, op de prestaties. Een VO-raad die zich bewust is van zijn opdracht: namelijk
investeren in jonge mensen, investeren in de maatschappij van morgen. Leden die iets te melden hebben, die successen willen vieren en trots zijn op het feit dat ouders hun scholen nog steeds een ruime 7 geven.

Leden die weten dat de OESO- en Pisa-onderzoeken ons ieder jaar weer laten zien dat we
het goed doen, hoog scoren. Zeker als we die prestaties relateren aan Europese
bekostigingsnormen. Leden die successen vieren op het gebied van innovatie en
leerlingenzorg, op het gebied van waardenonderwijs en maatschappelijke stages.
Betrokken, midden in de wijk, stad en regio.

Andere verhalen
En dan... sla ik de krant open en lees heel andere verhalen. Verhalen waarvan ik denk: die
gaan niet over mijn school, niet over mijn docenten, niet over mijn leerlingen. Klaagliederen
in plaats van succes story’s. Verhalen over kroontjespennen en krijtjes in plaats van over
OLC’s en laptops. Met wie spreken die journalisten en televisiemakers eigenlijk? Aan wie
laten we de berichtgeving over?

Bent u het niet zat voortdurend geconfronteerd te worden met verhalen over tegenstellingen
tussen docenten en directies, tussen professionals en bobo’s, tussen school en
samenleving. Herkent u zich in de verhalen over bestuursgebouwen die uitpuilen van
managers? In de verhalen over docenten die niet kunnen rekenen of schrijven? Waarom
gaat het zo vaak over ons? En niet door of met ons?

Marc Chavannes spreekt in NRC in dit verband over de ‘Haags-nieuwscentrifuge’, die alles plat slaat en uitperst. Over het politieke kluitjesvoetbal en de toeschouwersdemocratie. Hij wijst de media op hun verantwoordelijkheid en pleit voor een nieuwe vertrouwensband met het onderwijs. We horen niet in de beklaagdenbank van de pers. Niet op de bon bij een wazige professor. Ik verscheur die BON! Ouders en leerlingen geven ons jaar in jaar uit een dikke voldoende. Waarom roepen we hen niet op als getuigen? Waar lees ik hun verhalen?

In de relatie tussen pers en onderwijsveld wordt er veel getoeterd, en nauwelijks geluisterd.
Wij moeten de dialoog weer op gang brengen. De jeugd zit bij ons. Natuurlijk kan en moet er ook veel beter in het onderwijs. We staan als sector voor enorme uitdagingen. De samenleving verwacht - terecht - veel van ons. Met beperkte middelen investeren we in nieuwe leermiddelen, bouwen we contextrijke leeromgevingen, oefenen we met nieuwe onderwijsconcepten en doen we ervaring op met teamwork.

Het Nederlandse onderwijs is één grote permanente bouwput, met rijtjeswoningen en landhuizen, kantoren en kathedralen. En tijdens de verbouwing blijft de winkel open. Het is een zoektocht, soms een worsteling. We boeken successen en incasseren nederlagen. Ja, we scoren internationaal nog voldoendes, maar we investeren te weinig. We krijgen er haast dagelijks taken bij, maar we moeten het doen met hetzelfde geld. En gedreven als we zijn, pakken we die taken op. Opvoeden, vormen, leren: dat is ons vak. Daar gaan we voor, dat is onze passie, daar zijn we goed in.

Over die gedrevenheid, over dat verantwoordelijkheidsgevoel en over die expertise moeten we vertellen, schrijven, publiceren. Wij moeten naar buiten met verhalen over wat er in onze school gebeurt, hoe we opleiden voor een baan, jongeren aan een toekomst helpen, talent ontwikkelen. Hoe we investeren in de kwaliteit van onze mensen. Want niet de columnisten en de televisiemakers, maar de jeugd heeft de toekomst. En de jeugd zit bij ons. Bijna een miljoen
leerlingen, bijna twee miljoen ouders, dat is - met hier en daar een opa en een tante - een
achterban van meer dan drie miljoen: daar kan geen krant of omroep tegenop.

Missie
Zie hier mijn missie: van het voortgezet onderwijs een zelfbewuste, trotse sector maken; een
sector die zijn successen viert en aan zijn zwakke punten werkt, die zijn nek uitsteekt,
verantwoording aflegt en aan vertrouwen bouwt. Dit zijn drie thema’s waar u mij de komende tijd op mag aanspreken. Verbinden: van horizontaal naar vertikaal. Verheffen: leren en opvoeden. Vertrouwen: van low trust naar high trust.

De eerste V vraag om een radicale perspectiefwisseling. Niet langer de blik omhoog: naar
de minister, de politiek, de inspectie. Maar de blijk opzij: naar de mensen, de klanten, de
gebruikers. Niet langer ja-knikken, maar nee-schudden, rond kijken. Van vertikaal naar
horizontaal. Van binnen naar buiten.

Lifestyle
Maar dat opzij kijken en luisteren naar ouders en omgeving, dat moeten we nog wel leren.
We praten met en over de ‘gebruikers’ van ons onderwijs, maar geven hun zelden invloed.
We zijn beducht voor overheid en media, maar realiseren ons onvoldoende dat media én
overheid steeds vaker de kant van de gebruiker kiezen. We kiezen sneller voor de monoloog
van het jaarverslag dan voor de dialoog met de klant.

We hebben te maken met een burger die denkt in rechten en deze individueel opeisbaar
acht. Onze sociale verbanden zijn breder en wisselender geworden. Een boer uit 1800
kwam in heel zijn leven even veel verschillenden mensen tegen als een moderne
Nederlander nu in één dag. De traditionele integratiekaders als kerk, gezin en buurt hebben
aan invloed ingeboet. We begeven ons tegenwoordig in wat sociologen ‘lichte
gemeenschappen’ noemen.

Die lichtheid en losheid van verbanden levert een rijke pluriformiteit op: er is veel te kiezen. We zijn allemaal gelijk en toch willen we ons eindeloos onderscheiden en profileren. Dat heet lifestyle. Juist daar ligt een geweldige uitdaging voor het onderwijs. Ontwikkeling van talent betekent: oog hebben voor die unieke kern, binnen in elk mens, soms diep weg gezakt, verstopt. Onderwijs maakt de mens tot een unieke persoonlijkheid met een eigen lifestyle.

Verbinden
We zullen een hele nieuwe sensitiviteit moeten ontwikkelen. Een sensitiviteit voor onze
omgeving, en voor het individu als onderdeel van die omgeving. We zullen signalen van
gebruikers sneller moeten oppikken, zelf bijtijds aanvoelen dat ouders niet accepteren dat
hun kinderen te vaak thuis zitten. Dat ouders uitleg willen, inspraak, zeggenschap.
Dingen die er voor de mensen toe doen, moet je zo organiseren dat ze er bij kunnen.
Onderwijs moet je zo organiseren dat de gebruiker, de ouder er met zijn handen, zijn voeten
en zijn neus bij kan. Dat is verbinden.

Verbinden is niet gemakkelijk. We zitten erg vast in de verticale en interne relatie. We kijken
heel snel omhoog en verwachten alle heil van de minster, de bonden. Of van meer geld. We
zitten vast aan het subsidie-infuus. Maar wie op eigen benen wil staan, zal de infuusnaald er
zelf uit moeten trekken. We moeten ons bevrijden uit de houdgreep waarin overheid, bonden
en veld elkaar vast houden met steeds weer dezelfde bezweringsformules over werkdruk,
overhead, verworven rechten en onderwijstijd.

Vertrouwen
Ik kom bij mijn tweede punt: een relatie is gebaseerd op vertrouwen. Steeds meer
beschrijven we relaties in termen van productie, rendement en opbrengsten. Prestatiecontracten vervangen afspraken. Financiële prikkels vervangen waardering.
Burgers worden consumenten. We doen er allemaal aan mee en het heeft ons meer
transparantie en meer verantwoording opgeleverd. Dat is goed en nodig. De burger wil
weten wat we met die 30 miljard voor onderwijs doen.

Maar de prijs is hoog en er is het risico van doorslaan. Er dreigt een systeem van
economisch georganiseerd wantrouwen, met toezichthoudende autoriteiten die we - heel
trefzeker - ‘waakhonden’ noemen: naast een NMA voor bedrijven, nu ook het keffertje van
Maria. En straks… de herdershond van Rouvoet?

Hoe buigen we wantrouwen om in vertrouwen? Hoe krijgen we Vertrouwen in Toezicht en
hoe organiseren we Toezicht in Vertrouwen? Aldus een recente notitie van OCW.
Daartoe moeten we investeren. Investeren in verhalen over onze successen. De markt op
met verhalen over duurzame relaties tussen betrokken klanten en trotse medewerkers. Er zit
heel veel trots in ons vak. Trots op mensen, op teams, op leerlingen en resultaten. Ik zie het
om me heen. Trots doet het goed op vertrouwen, maar verdwijnt als wantrouwen de
overhand krijgt.

Bij autonomie hoort verantwoorden, ja zeker, maar met accountability alleen redden we het
niet. Mensen groeien op vertrouwen. Geef leerlingen vertrouwen en er gebeuren fantastische
dingen. Het alternatief van vertrouwen is controle en we weten wat voor soort maatschappij
dat oplevert. Vertrouwen is het antwoord op de uit balans geraakte relatie tussen media en
onderwijsmensen, tussen burgers en overheid, tussen management en professionals.
Vertrouwen moet je geven. Maar ook verdienen. En aan dat laatste kunnen we zelf veel
doen.

Verantwoorden
Scholen moeten de omgeving duidelijk maken welke kwaliteit zij leveren en wat zij doen om
die kwaliteit te borgen en te verbeteren. Dit veronderstelt partnerschap. In haar ‘governancebrief’
aan de Tweede Kamer geeft de minister aan dat één van haar kernambities is een
betere relatie van onderwijsinstellingen met de maatschappelijke omgeving. Dat betekent:
bouwen aan nieuwe betrekkingen, investeren in de relatie, oefenen in het verantwoorden.

Professionals verantwoorden zich graag, tegenover zichzelf en tegenover de omgeving.
Over resultaten die behaald en doelen die bereikt zijn. Ook als doelen niet gehaald zijn, als
dingen niet lukken. Als de werkelijkheid complexer en weerbarstiger blijkt dan verwacht.
Vertrouwen win je door lef te tonen, lef om toe te geven dat ook wij ons zorgen maken om
lesuitval, afstroom, schoolverlaters. Dat bedoelen we allemaal als we het hebben over
‘maatschappelijke waardering’.

Als wij die maatschappelijke waardering zelf verdienen, krijgen politici het minder druk met
het onderwijs. Als wij onze agenda op orde hebben, hoeven de minister en de Kamer niet
langer voor conciërge, rector of docent te spelen. Want de minster - wie het straks ook wordt
- gaat niet over het lerarentekort, gaat niet over de beloning van docenten, gaat niet over
aantallen managers.

De minister ziet toe op de kwaliteit, wij gaan er over. Wij - als sector - hebben de opdracht de kwaliteit op een zo hoogmogelijk niveau te brengen. Daarbij moeten we - als gezegd - heel goed luisteren naar onze omgeving: de hogescholen en de universiteiten, het MBO en het bedrijfsleven. We moeten inspelen op de vraag, afspraken maken over kwaliteitseisen, doelen formuleren, resultaten tonen.

Volgens het laatste WRR-rapport presteert het VO in Nederland goed. Maar onze ambitie
moet omhoog. Op het gebied van verzekeren (diploma’s, vaardigheden, levenslang leren)
en verzorgen (zorg voor de zwakke leerling, zorgteams, zorgplicht) leveren we
aansprekende prestaties. Maar de uitdagingen waar we de komende jaren voor staan,
vragen vooral om verheffen en verbinden. De school als dansvloer waar heden en toekomst
elkaar treffen. Waar mensen elkaar verheffen. En de school waar de handen in elkaar
schuiven: waar mensen zich verbinden.

Verheffen
Bij die verheffingsopdracht hoort een andere taal. Het debat over de toekomst van het
onderwijs moet in een positieve toonsoort gevoerd worden. We moeten werken aan een
perspectief dat past bij de 21e eeuw. Een perspectief dat jongeren verheft en dat getoonzet
is in een aansprekend, zelfbewust, wervend vocabulaire. Daar kunt u morgen mee
beginnen. Ik ben er vandaag, nu mee begonnen.

In zo’n verheffingsopdracht is aandacht voor uitvallers en laatbloeiers, worden leerlingen niet
opgesloten in leertrajecten waar ze niet thuis horen, zijn er soepele overgangen binnen
kolommen en tussen kolomen.

Verheffen leidt tot verbinden. Het is niet goed als groepen in zichzelf opgesloten raken. Juist
onderwijs maakt het mogelijk om door groeps- en cultuurgrenzen heen te breken. Gebrek
aan identificatie is een groot verbindingstekort. En het ontstaat als je je buitengesloten voelt,
als je niet kunt doordringen tot een andere groep. Dat geldt op macroniveau - oud en jong,
wit en zwart, rijk en arm, autochtoon en allochtoon. Maar ook op instellingsniveau:
management versus docenten.

Zo wordt het verheffen en verbinden een tweezijdig proces. Dat eist een echte ontmoeting,
een fysieke nabijheid, die uitnodigt om regels over te nemen en gedrag na te bootsen. De
docent, de schoolleider als rolmodel. Als morele autoriteit.

Er is nog heel veel meer te noemen. Ik heb het niet gehad over de condities, bekostiging en
arbeidsvoorwaarden die passen bij de dynamische sector die we willen zijn. We moeten lef
tonen als we aan de slag gaan met het loonbouwwerk. We willen excellentie bevorderen en
schaarste bestrijden. We willen investeren in kwaliteit. We willen een sector die
concurrerend is.

Allemaal zaken van het grootste belang. U kunt er ongetwijfeld nog veel meer noemen. Toch
moet het de komende tijd niet gaan over de pijnpunten, de issues, de tekorten en het geld.
Het programma voor de komende tijd gaat over herstel van vertrouwen. Het zoeken naar
nieuwe verbanden en nieuwe relaties. Voor deze grootse opdracht hebben we een nieuw
elan nodig. En trotse, zelfbewuste mensen. Die zitten hier.

Boodschappenlijstje
Ik maak het heel concreet. Vandaag gaan de fractieleiders naar de koningin. Ik ga ervan uit
dat we morgen een informateur hebben die snel aan de slag gaat met het regeerakkoord.
Dan komen de belangorganisaties langs. Met hun boodschappenlijstje. Mijn lijstje heb ik
klaar: doe wat je al die maanden beloofd hebt: kom maar op met die miljarden.

Geef ons de ruimte om daar goede dingen mee te doen.
En geef ons het vertrouwen dat hoort bij een duurzame relatie.
Dan maken wij onze verheffings- en verbindingsopdracht waar.

Vandaag hebben we een start gemaakt . Als VO-raad hebben we een agenda. Zonder u kan
het niet. U was er vandaag bij. U bent erbij. Wees gerust: ik zal u daaraan houden.