X
De VO-raad is de sectororganisatie voor het voortgezet onderwijs
Inloggen voor leden
Home > Toespraken

Toespraak Sjoerd Slagter op Jubileumbijeenkomst 5 jaar VO-raad

7 november 2011

Toespraak van Sjoerd Slagter, voorzitter VO-raad, in Amstelveen.
NB: Alleen het gesproken woord geldt.

Vijf jaar VO-raad. Het eerste lustrum. Vijf jaar alweer, een minimum aantal om te bewijzen dat je er als organisatie toe doet. Maar, zijn er wel voldoende redenen voor het feest van vandaag? Dat antwoord geef je pas als je weet wat vijf jaar VO-raad heeft opgeleverd. Daarom eerst maar een terugblik.

Vijf jaar geleden overhandigde mijn voorganger Carel van de Heuvel mij deze enorme hamer, een hamer waarmee je letterlijk alles plat kunt slaan. Symbolisch voor wat hij dacht dat mij te wachten stond: kikkers in de wagen houden, en als praten niet helpt, dan maar slaan. Jullie kennen inmiddels de geschiedenis en weten dat Carel een vooruitziende blik had.

Ja, het heeft veel energie gekost om iedereen binnen boord te houden en we zijn gelukkig niemand tussentijds kwijtgeraakt. En, we hebben we er niet voor hoeven te slaan. Maar wel veel voor moeten praten en soebatten, en schipperen. Mijn volzinnen aan het einde van een ALV zijn inmiddels berucht: net zoveel zeggen dat er noch aan linkerzijde noch aan rechterzijde mensen voortijdig weglopen.

Al met al een prestatie. Zeker als je nagaat welke thema’s toen speelden. Dan mogen we dat inderdaad een succes noemen. Weet u het nog: onderwijstijd, de fusieprikkel, het afwijzen van een CAO-resultaat, docentenstakingen en uiteindelijk toch een cao-akkoord. Dat stond allemaal op de agenda van de nog jonge sectororganisatie. Een raad die eigenlijk vooral met zichzelf bezig was, daar niet de tijd voor kreeg, maar wel al naar buiten getrokken werd.

Het was een schitterende leerschool. Want juist zo’n interne gerichtheid was iets dat we moesten afleren. In die periode hebben we - met vallen en opstaan - die interne gerichtheid omgebogen naar een externe betrokkenheid. We hebben ons een nieuw jargon eigen gemaakt: ‘maatschappelijke sensitiviteit‘, ‘politieke realiteit’ we presenteerden ons met oneliners en we gingen in debat met onze stakeholders. Vensters was daarvan een prachtig resultaat.

En, zoals ik al zei, ondertussen bleef de groep bij elkaar. En de resultaten die we behaald hebben, mogen we vieren. We hebben vertrouwen gewonnen, ons een positie verworven en als vereniging een stevig fundament gelegd. En daar ben ik trots op.

Maar we hebben er ook een prijs voor betaald. En soms voelde het als een spagaat. We kregen lof voor het feit dat de boel bij elkaar bleef, maar als het nergens mag schuren, levert eensgezindheid niet zo veel nieuw beleid op. De onderlinge betrokkenheid en verbondenheid in onze sector moet nu resultaten gaan afwerpen. We moeten met z’n alles ergens heen willen. Op weg naar nieuwe ambities, nieuwe doelen en nieuwe streefwaarden.

Bij een lustrumviering hoort naast een terugblik ook een vergezicht. Vandaag heeft de toekomst hier ook aandacht gehad. We zijn begonnen met de verwachtingen van onze leerlingen: immers alles wat wij doen, raakt aan hun toekomst. Wij geven hun de bagage mee die een leven lang mee moet. Daarom zijn we met hun bijdrage begonnen. Als wij als sectorraad pretenderen toegevoegde waarde te hebben, dan moet die waarde zichtbaar en herkenbaar zijn in wat wij voor leerlingen doen of hebben gedaan tijdens hun tijd op school.

De heer Rinnooij Kan verwoordde in zijn toespraak de verwachtingen van de buitenwacht, de samenleving. Onderwijs dient een maatschappelijke zaak. Op dat terrein speelt de VO-raad een rol in het ondersteunen en faciliteren van scholen. Je zou dat een vorm van belangenbehartiging kunnen noemen van besturen, , van medewerkers én van leerlingen en ouders en daarmee van de samenleving.

En ook de minister heeft een opdracht voor ons: Beter presteren, hogere leeropbrengsten en meer aandacht voor excellentie. De politiek verwacht, als geldgever, veel van scholen. Wie betaalt, bepaalt, zegt men dan. Een formule waar wij overigens moeite mee hebben omdat we niet meegaan met het model van de school als uitvoeringsorganisatie van de politiek.

Ja, we hebben een lastige relatie met de politiek en we moeten ons haast permanent wapenen tegen incidentenpolitiek en symboolpolitiek. Hier spelen we vooral onze primaire rol als belangenbehartiger voor besturen en scholen. Hier komen we namelijk op voor adequate bekostiging en beleidsruimte.

Maar ook hier geldt dat we als bestuurders altijd moeten onderhandelen. In een tijd dat bestuurders zich opgejaagd wild voelen. In een tijd dat het verdacht is om bestuurder te zijn (en al helemaal als bestuurders van bestuurders: sommigen willen niet graag met mij gezien worden). Enerzijds zien we een roep om leiderschap, een roep om integere topbestuurders en anderzijds blijkt telkens weer dat besturen een hachelijke onderneming is.

Belangenbehartiger zijn we dus en nergens heb ik de afgelopen jaren meer mee geworsteld dan met de vraag: “Wat is dat nu precies: belangen behartigen”? En ik merk dat het antwoord op die vraag verschoven is. Daar wil ik - tot slot - nog een paar woorden aan wijden. Wat is belangenbehartiging van de VO-sector? Hoe dienen we als VO-raad het belang van VO-scholen? Is dat lijstjes ophalen met wensen van leden? Is dat actievoeren tegen de politici? Is dat onafgebroken pleiten voor meer geld?

Daar leek het in het begin wel erg op. De komst van de VO-raad stimuleerde de verwachting dat lang gekoesterde wensen over bekostiging en autonomie in vervulling zouden gaan. Onze reacties en wensen hadden soms veel weg van vakbondseisen. Wij werden vaak met een boodschappenlijstje op pad gestuurd.

Maar in alle verwachtingen over geld en ruimte klonk ook een grote betrokkenheid door met ons vak: leerlingen opleiden voor de toekomst. Er was altijd de bereidheid die grootste opdracht zo goed mogelijk in te vullen. En een beroep op jullie was nooit tevergeefs.

De betrokkenheid met onderwijs en het besef als school verantwoordelijk te zijn, brachten mee dat belangenbehartiging ook een andere inkleuring kreeg. In die opvatting hebben we geen minister nodig om een einde te maken aan zwakke scholen; in die opvatting hebben we geen staatssecretaris nodig om te professionaliseren. In die opvatting hoeven we niet aangezet te worden tot verbetering of het extra kansen bieden aan leerlingen.

Tenslotte zijn we niet slechts doorgeefluik, maar nemen we als VO-raad zelf verantwoordelijkheid. Ik wijs graag naar onze Investeringsagenda, naar de recente Professionaliseringsagenda en het al eerder genoemde Vensters-project.

We staan nu voor een nieuwe keuze. Wie of wat willen we zijn: een VO-raad met verlanglijstjes van leden of een VO-raad als een keurmerk voor leden om zo kwaliteit te borgen ? Een existentiële keuze die raakt aan het soort organisatie dat we willen zijn.

Ja, alweer een dilemma. Een dilemma dat speelt op alle terreinen en in alle grote thema’s van vandaag: Bij Passend Onderwijs gaat het over de vraag of wij zelf met een referentiekader komen. Bij de doorstroom van vmbo naar havo gaat het over een eigen sectorcode. En onder een bestuursconvenant met de overheid komt wel onze handtekening te staan.

Voor beide opvattingen vinden we binnen onze vereniging op dit moment aanhangers. Welke positie ik ook kies, voor- en tegenstanders zullen zich laten gelden. Maar, als voorzitter vind ik dat we moeten kiezen. En stel ik vast dat ik, met alle risico’s die erbij horen, onmiskenbaar opschuif naar de keurmerk-optie.

Steeds meer raak ik ervan overtuigd dat de VO-raad de belangen van zijn leden het beste dient door allereerst te wijzen op het feit dat ‘wij aan zet zijn’, dat we zelf als eerste aangesproken willen worden op onze kwaliteit. Belangenbehartiging is - in the end - meer intern dan extern gericht. Anders gezegd: met een intern kwaliteitsmerk versterken we onze eigen positie en kunnen we extern meer en betere resultaten boeken in het belang van onze schoolbesturen.

Er zijn ook risico’s. Een van de grootste risico’s is dat de overheid in zo’n rolverdeling maar wat graag de aap op onze schouder zet. En we weten wat er gebeurt als zo’n aap uit de mouw komt en Marja heet.

De overheid draagt maar wat graag over, maar blijkt vaak onbetrouwbaar als het gaat om afspraken: denk aan de materiële bekostiging, de fusieprikkel, enz. Een punt waar veel leden terecht voor waarschuwen, is het risico dat de VO-raad terecht komt in een oneigenlijke rol als ‘nieuw ministerie’. Dan komen we van de regen in de drup of erger.

Wij koesteren onze autonomie. Maar je kunt autonomie invullen op veel verschillende manieren. Dat leren we van landen als China en Singapore die voorzichtig meer autonomie toestaan. Enerzijds is er de bezweringsformule ‘blijf uit m’n buurt’ en ‘geen inmenging van buiten’.

Anderzijds autonomie als een verplichting, vanuit een noblesse oblige–gedachte: zelf en alleen zelf verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van het onderwijs. In een recent rapport van McKinsey over wereldwijd de best presterende schoolsystemen wordt Nederland geprezen, maar wordt tegelijkertijd gesteld dat een te sterk gekoesterde autonomie verandering in de weg staat.

Laten wij onze - in internationaal perspectief bezien - unieke autonome positie gebruiken om de buitenwacht te tonen dat het onderwijs bij ons in vertrouwde handen is, dat wij onze beloftes over top-onderwijs waarmaken, dat wij onze verantwoordelijke positie waard zijn en dat we dat laten zien door interne kwaliteitsafspraken, een keurmerk dat leden bindt en ouders en leerlingen garanties geeft.