Sjoerd Slagter op VO-congres 2011
Toespraak van Sjoerd Slagter, voorzitter VO-raad, in Nieuwegein.
NB: Alleen het gesproken woord geldt.
U bent ongetwijfeld ook nog steeds onder de indruk van de recente gebeurtenissen in Japan en Libië. In Japan werken veel collega’s onder onvoorstelbaar moeilijke omstandigheden. Ik heb gisteren contact gehad met mijn collega Tsutomu Shiozaki in Tokio, net als ik lid van ICP, de internationale organisatie van schoolleiders. Ik heb hem en zijn landgenoten namens ons veel sterkte toegewenst.
Lijstjes zijn trendy, zijn in.
We houden van lijstjes en ze zijn er in alle soorten en maten. Lijstjes met de beste en slechtst geklede politici, lijstjes van de gelukkigste volken, lijstjes met de grootste blunders. Een hoge amusementwaarde heeft de lijst met smerigste hotels.
Maar er zijn ook lijstjes van heel andere aard, bijvoorbeeld die met de inhoud van Leopold Blooms keukenlade, uit Ulysses. Soms zijn ze zo fascinerend dat Umberto Eco er een prachtig boek over schreef: “De betovering van lijsten”. Opsommingen en lijsten blijken orde te scheppen in chaos en Eco beschouwt ze daarom als een poging om het leven te vangen.
Inderdaad hebben lijstjes iets betoverends, maar ze prikken soms ook illusies door.
Zo bestaan er lijstjes van goed en slecht presterende scholen. PISA kent een lijst met best presterende schoolsystemen, en er is een lijst die aangeeft hoeveel regeringen investeren in onderwijs. Vooral de recente PISA-lijst hakte er stevig in, getuige de bliksemsnelle reactie van onze minister.
Aziatische landen, maar ook Canada en Slovenië, verbeteren hun leerpresentaties razendsnel en Nederland leunt achterover. En dus moest er in allerijl een actieplan “Beter Presteren” komen en moesten we kiezen voor een kerncurriculum. Want alleen dan stijgen we op PISA-lijsten. Dat zou de remedie zijn tegen de vrije val waarvoor sombere columnisten waarschuwen.
Maar laten we eens wat beter inzoomen: wat wordt wel en wat wordt niet gemeten? Hoe gekleurd is de bril waarmee we lezen? En is wat je niet kunt meten, minder waardevol?
Als ik de PISA-rapporten lees, wordt één ding duidelijk: keer op keer blijkt dat het Nederlandse onderwijs internationaal gezien van topkwaliteit is. Vooralsnog tonen onderzoeken niet aan dat het niveau daalt. Ook al wil de buitenwacht dat maar moeilijk geloven.
Ik heb me vaak een roepende in de woestijn gevoeld, maar mij zijn ze niet komen halen met een helikopter. “Het kan niet waar zijn”, dat is steevast de reactie van briefschrijvers op ‘goednieuwsberichten’. Aan de kassa weet de caissière zich immers geen raad met simpele optel- en aftreksommen en we weten ook niet meer hoe de t’s en dt’s staan.
Zelfs als het klopt dat huidige scholieren slechter spellen dan vroeger – ook daar is geen wetenschappelijk bewijs voor – dan nog is het onwaarschijnlijk dat die spelfouten model staan voor een algehele niveaudaling. Daarvoor bestaat gewoon te veel bewijs van het tegendeel.
Aan dat gegeven zouden we toch meer beroepstrots moeten ontlenen. Des te meer als je beziet met welk budget we dat doen. Dat is een lijst die politici niet graag citeren. In die ranking staat Nederland onderaan, in gezelschap van landen waar we niet eens tegen willen voetballen. Ik heb het over de benchmark met onderwijsinvesteringen. Dat gegeven geeft onze schoolprestaties nog meer glans.
Wat we nodig hebben, zijn verhalen in plaats van nog meer lijstjes. Verhalen van schoolleiders, van docenten, van ouders, over leerlingen die wij kennis bijbrengen, die vaardigheden voor het leven leren, die aandacht en steun krijgen en daardoor groeien en mens worden.
Het zijn deze unieke en specifieke verhalen die iedereen raken. Kleine verhalen die samen het grote verhaal van ons onderwijs vertellen.
En wij moeten zelf die dialoog met onze omgeving weer op gang brengen. Wij moeten vertellen dat het Nederlandse onderwijs één grote permanente bouwput is, met rijtjeswoningen en landhuizen, kantoren en kathedralen. En dat tijdens de verbouwing de winkel toch open blijft. Ons onderwijs is een zoektocht, soms een worsteling. We boeken successen en incasseren nederlagen. Ja, we scoren internationaal nog voldoendes, maar we investeren te weinig. We krijgen er haast dagelijks taken bij, maar we moeten het doen met hetzelfde geld. En gedreven als we zijn, pakken we die taken ook nog op, want opvoeden, vormen, leren: dat is ons vak. Daar gaan we voor, dat is onze passie, daar zijn we goed in.
Nogmaals: over die gedrevenheid, over dat verantwoordelijkheidsgevoel en over die expertise moeten we vertellen, schrijven, publiceren. Wij moeten naar buiten met verhalen over wat er in onze school gebeurt hoe we opleiden voor een baan. Hoe we jongeren aan een toekomst helpen, talent ontwikkelen. Hoe we investeren in de kwaliteit van onze mensen. We moeten niet afhankelijk zijn van wat anderen over ons zeggen, maar veel beter ons eigen geluid laten horen.
We moeten niet in de val trappen en de media de schuld te geven, maar zelf helder zijn in onze boodschap.
Ja, het Nederlandse onderwijs is goed, beter dan zijn reputatie, maar minder dan zijn ambitie. Het moet beter omdat de wereld waarin onze kinderen opgroeien, steeds veeleisender wordt. Misschien worden we als onderwijs overvraagd, maar dat kan ook haast niet anders als we zien met welke vragen de komende generatie wordt geconfronteerd en voor welke uitdagingen ze worden geplaatst. De enorme impact van nieuwe technologieën en de opkomst van social media.
Een verhaaltje
Ik was een paar weken terug op het jaarcongres van onze Amerikaanse collega’s. De inleider vertelde over de grote gevolgen van internet en het alom aanwezig zijn van kennis. Hij prees een hele nieuwe site aan: Wolfram Alpha. Deze zou kennis nog sneller en beter presenteren dan Google. Even verder in zijn verhaal vroeg hij ineens wie ondertussen al op zijn I-phone of Blackberry had gekeken. Zowat de helft stak zijn vinger op en ik hoorde daar ook bij. En, zo vervolgde hij, wij vragen onze leerlingen hun telefoon uit te zetten.
Hoe zou in 2025 een boekentas van een leerling eruit zien? De gevulde tas weegt nog zo’n twee kilo. We vinden een collegeblok, een brooddoos en een Engels voetbalmagazine: niet veel anders dan in een schooltas van nu. Maar de schoolboeken ontbreken!
In plaats daarvan een opgerold schermpje ter grootte van twee mobiele telefoons. Het apparaatje werkt als agenda, bevat het rooster; je kunt er mee bellen, videochatten en e-mailen. Het bevat taalprogramma’s voor Engels en Chinees en online beschikt de leerling over een enorme verzameling primaire bronnen. Natuurlijk ook een elektronisch leesboek en foto’s van zijn Facebook-vrienden.
Ziedaar onze grootste opdracht. Onderwijs zo inrichten dat onze leerlingen daar in 2025 ook nog iets aan hebben. Dat betekent verder kijken dan de begroting van volgend jaar. Onze scoop is minstens 15 jaar en die van onze leerlingen een leven lang. Dat heet 21e eeuws onderwijs.
Na de lijsten en verhalen mag ik ook wat dromen. Dromen over 2025. Nederland staat dan bovenaan in de lijst van de top-5 kennis-economieën. De financiering is ruimhartig, bezuinigingen op het onderwijs zijn uit den boze. Zwarte en witte scholen behoren tot het verleden. Formeel en informeel leren zijn geïntegreerd. Ouders hebben heel wat te kiezen: internationale scholen, sportscholen, technische scholen en cultuurscholen: allemaal topscholen. We koesteren ons pluriform onderwijssysteem.
Want in 2025 is de overheid nog altijd verantwoordelijk voor de financiering en gaat het schoolbestuur over de kwaliteit van het onderwijs. Vensters heeft de rol van de inspectie overgenomen. Professionals staan op een voetstuk. Ze ontvangen een goed salaris. Werkdruk is een lang vergeten thema. In 2025 is het een eer om in het onderwijs te werken. Er zijn zelfs lange wachtlijsten voor een plekje op de lerarenopleiding.
Toch nog één keer terug naar de lijsten. Er zijn lijstjes waar ik echt van schrik. Lijstjes die laten zien dat hoger opgeleiden langer en gezonder leven dan laag opgeleiden, lijstjes die laten zien dat het milieu nog altijd bepalend is voor schoolsucces, lijstjes die illustreren dat in het onderwijs dubbeltjes dubbeltjes blijven en geen kwartjes worden terwijl dat toch de taak van het onderwijs zou moeten zijn. Maar ook lijstjes die laten zien dat we te weinig met ons toptalent doen, want het gaat steeds weer om de vraag hoe we onze leerlingen meer kansen bieden.
Kansen die levensbepalend zijn. Wat voor soort leven wensen we onze leerlingen toe en wat eist dat van het soort onderwijs dat we bieden.
Die keuze berust op onderliggende waarden. Leerlingen bezeten van presteren, ouders die alles opofferen voor de carrière van hun kind? Zesjescultuur of carrièrekids , maar is dat wel een tegenstelling?
Intermezzo
Neem Jo Chen. Zij is een tijgermoeder. Enkele media schreven erover. Haar dochter Tammy moet negens en tienen halen, ander krijgt ze geen Ipad. Voor afspraken met vriendinnetjes, partijtjes of Facebook is het leven te kort. De enige activiteiten die je kinderen moet toestaan, zijn die waarvoor je een medaille kunt krijgen, schrijft Jo, en die medaille moet van goud zijn. Er gelden huisregels: 1. schoolwerk gaat altijd voor; 2. een negen is geen goed cijfer; 3. in wiskunde moet je twee jaar op je klasgenoten voorlopen.
On-Nederlands. Onze knuffelouders vinden voor alles dat het gezellig moet zijn. Maar ondertussen daagt de Tijgermoeder ons wel uit tot reflectie.
Een ander verhaal:
Nederlandse scholieren zijn in één ding wereldkampioen: ze weten heel precies hoe ze moeten slagen met zo min mogelijk inspanning. Zesjescultuur? Nee, wie hun uitspraken leest, merkt dat ze goed hebben nagedacht over het indelen van hun schaarse tijd. Als ze vijfjes en zesjes halen, is dat dikwijls een bewuste keuze.
Presteren is voor jongeren niet het enige. Zelfontplooiing is minstens zo belangrijk: omgaan met vrienden, hobby’s. Een 17-jarige jongen runt naast school een eigen muziekbedrijfje. Een 16-jarig meisje organiseert tussen haar schoolwerk muziekoptredens in het buitenland en bijna de helft van onze jongeren doet regelmatig aan vrijwilligerswerk. Noem dat maar eens lui of ongeïnteresseerd.
Als we kiezen voor de toekomst van onze leerlingen, moeten we ook kiezen voor de toekomst van onze docenten. We zullen nieuwe wensen van jonge werknemers met betrekking tot carrièreplanning, flexibele werktijden en prestatiebeloning serieus moeten nemen, ook al vinden wij dat vaak maar niets.
Wij houden graag alle partijen te vriend, maar het wordt steeds moeilijker om niet te kiezen in de dreigende belangentegenstelling tussen de komende en zittende generatie.
We kunnen niet én Bapo én prestatiebeloning betalen. We kunnen niet én onderpresteerders in dienst houden én tegelijkertijd met nieuwkomers prestatieafspraken maken. We zullen soms moeten kiezen tussen neen zeggen tegen kabinetsbeleid en andere keren juist bereid zijn er verantwoordelijkheid voor te nemen. We moeten in de verdere professionalisering van onze sector durven kiezen tussen schoolbelang en sectorbelang. Ja, we moeten kiezen en dat versterkt de roep om leiderschap.
Deze nieuwe eeuw vraagt om nieuwe vormen van leiderschap.
Instrumentele kennis is niet langer doorslaggevend. Het gaat veel meer om het tonen van wil, niet zozeer om het verzamelen van feiten. Intellectuele bagage hebben we – zoals we hier zitten - genoeg; ik zou het niet wagen u te onderschatten. Maar daar wat meer los van komen om te bewegen, dat brengt onze sector verder. Kern van het probleem in veel organisaties is niet zozeer de competenties van de medewerkers als wel de pretenties van de leidinggevenden.
Uit mijn gesprekken en ontmoetingen met rectoren en bestuurders blijkt telkens weer dat het bij leiderschap gaat om een paar zaken. Allereerst: leiders geven richting aan. Leiders handelen vanuit een langetermijnvisie; de hectiek van de dag raakt ze minder; zelfs bezuinigingen en politici die beloftes breken brengen hen niet uit balans.
Leiders veroorzaken beweging. Hun mensen komen van hun plaats, worden beter, gaan vooruit. Het Nederlandse onderwijs scoort hoog. Scholen leveren topprestaties, maar als we blijven doen wat we doen, houden we de razendsnelle ontwikkelingen niet bij en is het dus niet voldoende.
Leiders verbeteren voortdurend: ze herdefiniëren hun organisatie, ze ontwerpen nieuwe leerplekken en creëren nieuwe ontmoetingsplaatsen. Ze zijn voortdurend op zoek naar manieren om het leren nog beter te maken, om leerlingen nog meer uit te dagen.
Leiders mogen dan handelen vanuit een lange termijn visie, maar onze schoolleiders voelen vandaag de pijn van bezuinigingen en uitblijvende investeringen. Passend onderwijs, een jarenlange achterblijvende materiële bekostiging en een dure CAO, ze slaan gaten in onze begrotingen. Gaten die wij dichten, wel moeten dichten omdat er geen gaten mogen vallen in de opleiding van jongeren. Hoe zwaar het ons ook valt, jongeren voorbereiden op hun toekomst is onze taak. En ze zitten maar één keer op een school voor voortgezet onderwijs.
Maar leiderschap heeft pas effect als er af en toe ook een krachtig nee klinkt. Nee tegen de dictatuur van lijstjes met schoolresultaten, nee tegen lijsten met incidenten, nee tegen de versmalling van onderwijs tot een toetscircus. Nee tegen de bureaucratische rompslomp van ouder-contracten, nee tegen het entreerecht en nee tegen bezuinigingen op passend onderwijs.
En misschien wel het allerbelangrijkst: een krachtig nee tegen uitholling van het werkgeverschap en onze bestuurlijke verantwoordelijkheid. Dit laatste heeft de ALV geoormerkt als een breekpunt.
Maak - als kabinet - eerst maar eens werk van doelstellingen als het terugdringen van regeldruk en minder bureaucratie. Wij blijven aanspreekbaar op onze verantwoordelijkheid voor toponderwijs, maar we gaan niet mee in gedetailleerde convenanten met percentages, rapportages en verantwoordinglijstjes die de verantwoordelijkheid van schoolleiders beknotten en daadwerkelijke schoolresultaten juist tegengaan.
Wij gaan vandaag, morgen en overmorgen door met onze opdracht: jongeren voorgaan, voorbereiden en toeleiden naar die nieuwe, complexe en uitdagende samenleving.
Onze nationale ambitie is om internationaal te excelleren, bij de besten in de wereld te behoren. En daarbij wordt veel verwacht van het onderwijs, van het voortgezet onderwijs. En als wij excellente leerlingen willen afleveren, dan hebben we excellente docenten, excellente schoolleiders en excellente bestuurders. Dames en heren, collega’s: wij hebben een voorbeeldfunctie. Wij gaan voorop.
De VO-raad is de sectororganisatie voor het voortgezet onderwijs