Geen ontslagvergoeding door hoge bovenwettelijke uitkering
In deze zaak wordt een werknemer ontslagen die op grond van de CAO-VO recht heeft op een bovenwettelijke WW-uitkering. Hij krijgt van de rechter geen ontslagvergoeding mee. Hierbij heeft de rechter in zijn oordeel meegenomen dat de werkgever eigenrisicodrager is en al moet opdraaien voor de naar schatting € 35.000,- uitkeringskosten.
Een werkgever in het voortgezet onderwijs vraagt de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een medewerker, zonder ontslagvergoeding, vanwege disfunctioneren en een verstoorde arbeidsverhouding. De werknemer is het niet eens met het verzoekt tot ontbinding en eist – indien toch wordt ontbonden - een ontslagvergoeding op basis van de kantonrechtersformule.
De kantonrechter oordeelt dat een verdere voortzetting van de samenwerking tussen werkgever en werknemer in redelijkheid niet meer mogelijk is en wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst toe. De rechter oordeelt dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie waarbij het niet aannemelijk is dat de schuld hiervan hoofdzakelijk bij de werkgever ligt. Het verzoek tot vergoeding wordt afgewezen.
De werknemer stelt dat de kans op ander werk voor hem erg klein is. De rechter gaat er daarom vanuit dat de werknemer gebruik moet maken van zijn rechten op een WW-uitkering en bovenwettelijke WW-uitkering. De eerste twaalf maanden heeft hij recht op 78% en daarna 24 maanden op 70% van het laatstverdiende salaris. Vervolgens heeft hij nog 66 maanden recht op een aanvullende uitkering van 70% van het laatstverdiende salaris op grond van de bovenwettelijke uitkering.
De werkgever is eigenrisicodrager voor de uitkeringskosten. Gelet op de omvangrijke bovenwettelijke uitkering en de kosten hiervan voor de werkgever, ziet de kantonrechter geen aanleiding om de werknemer een vergoeding naar billijkheid toe te kennen.
Bekijk de volledige uitspraak (website rechtspraak.nl).
De VO-raad is de sectororganisatie voor het voortgezet onderwijs