Meerdere tijdelijke contracten onbevoegde leraar niet omgezet in vast contract
6 september 2011
Recentelijk heeft een onbevoegde docent zich tot de voorzieningenrechter gewend met de vraag of zijn vierde tijdelijke arbeidsovereenkomst juridisch te kwalificeren valt als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De rechter deed hierover een interessante uitspraak.
In onderhavige kwestie is de docent per augustus 2007 in dienst getreden bij de school, waarna het contract in augustus van de jaren 2008, 2009 en 2010 steeds voor de duur van een jaar is verlengd. In april 2011 geeft de school aan de docent te kennen dat het tijdelijk dienstverband per 1 augustus 2011 niet meer zal worden verlengd en wordt opgezegd. De docent beschikt niet over een onderwijsbevoegdheid.
De docent vorderde - kort gezegd - primair tewerkstelling in de functie van docent en subsidiair in een hem passende functie. Hij stelt dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan omdat het tijdelijk dienstverband drie keer is verlengd.
De laatste verlenging is aangegaan tijdens de CAO-loze periode, waardoor zou moeten worden teruggevallen op het Burgerlijk Wetboek (uitwerking flexwet). Hierin staat dat een dienstverband voor onbepaalde tijd wordt geacht te zijn aangegaan indien het dienstverband een periode van 36 maanden overschrijdt dan wel er meer dan drie overeenkomsten voor bepaalde tijd zijn aangegaan. Nu de flexwet van toepassing is – zo stelt de docent – is bij de laatste verlenging een dienstverband voor onbepaalde tijd ontstaan. Het feit dat hij zijn onderwijsbevoegdheid niet heeft behaald, doet hieraan volgens de docent niets af.
De voorzieningenrechter is het niet met de docent eens en wijst de vordering van de docent af, met een interessante motivering. De rechter verwijst hierbij naar artikel 33 lid 4 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO), zoals gewijzigd bij Wet op de Beroepen in het Onderwijs (wet BIO), en de memorie van toelichting bij deze wet.
Hierin is opgenomen dat een onbevoegde leraar ten hoogste twee jaar mag worden belast met het geven van onderwijs. Het bevoegd gezag en de docent moeten dan wel schriftelijk hebben verklaard dat de docent zich zal inspannen om binnen twee jaar alsnog aan de bekwaamheidsvereisten die verbonden zijn aan het docentschap te voldoen. Indien de kwaliteit en de voortgang van het onderwijs dit vereisen, kan de termijn van twee jaar worden verlengd met een periode van maximaal twee jaar.
Deze regeling maakt volgens de memorie van toelichting deel uit van een nieuw kwaliteitsstelsel voor het onderwijs, met als kernopdracht het maximale uit kinderen te halen.
De rechter stelt zich op het standpunt dat de flexwet in casu niet dient te prevaleren boven de Wet BIO en de WVO; deze laatste wetten doorbreken namelijk in de uitwerking van hun bedoeling het gesloten ontslagstelsel in het arbeidsrecht. Er is voor gekozen de kwaliteit van het onderwijs boven alles te stellen ten detrimente van een goede rechtspositie voor onbevoegden. Deze lijn wordt eveneens bevestigd door de CAO’s VO 2008-2010 en 2011-2012.
De VO-raad is de sectororganisatie voor het voortgezet onderwijs