X
De VO-raad is de sectororganisatie voor het voortgezet onderwijs
Inloggen voor leden
Home > VO-juridisch > Verbod op het dragen van hoofddoekjes

Verbod op het dragen van hoofddoekjes

Op 4 april 2011 deed de sector kanton van de Rechtbank Haarlem uitspraak in een zaak omtrent hoofddoekjes. Een leerling eiste van haar school dat ze een hoofddoekje mocht dragen. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen. De uitspraak van de kantonrechter is mede interessant omdat er wordt afgeweken van een eerder oordeel door de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) in dezelfde zaak.

De scholiere is sinds het schooljaar 2009-2010 leerling op een middelbare school met katholieke grondslag. Begin 2010 geeft ze aan een hoofddoek te willen dragen. In september 2010 deelt de school mede dat zij de bepalingen in het schoolreglement na moet leven. In dat reglement staat: “Het is ten strengste verboden (..) om binnen de school gezichtsbedekkende kleding, petten, hoeden, mutsen of hoofddoekjes te dragen”.

De CGB oordeelt op 7 januari 2011 dat de school een verboden onderscheid op grond van godsdienst maakt. De school laat vervolgens weten dit oordeel niet te delen en handhaaft haar verzoek aan de leerling. Hierop eist de leerling bij de kantonrechter dat de school haar toch toestaat een hoofddoek te dragen. Als grondslag voor deze vordering stelt de leerling dat het verbod discriminerend is, want haar recht op godsdienstvrijheid wordt geschonden.

De kantonrechter wijst de vordering af; volgens de rechter mag de school deze beslissing nemen vanwege van haar katholieke grondslag en is er geen sprake van discriminatie. Het vinden van evenwicht tussen conflicterende belangen (het willen uiten van de geloofsovertuiging en anderen die menen het recht te hebben hiervan verschoond te blijven) is primair een taak van de school en niet van de rechter. Die grijpt slechts in als geen redelijk oordelende school een dergelijk besluit had kunnen nemen. Daar is nu geen sprake van, aldus de rechter.

De CGB is van mening dat de rechter voorbij gaat aan de Algemene Wet Gelijke Behandeling. Daarin staat dat bijzondere scholen alleen andere geloofsuitingen mogen weigeren als zij aan kunnen tonen dat dit noodzakelijk is voor de identiteit van de school. Het beleid op dit punt moet consequent zijn. Volgens de CGB zou de school deze noodzaak onvoldoende hebben aangetoond. Ook zou de school niet consequent geweest zijn in het uitdragen van dit beleid. In de uitspraak van de Commissie is na te lezen waarop de Commissie dit oordeel berust.

De leerling heeft aangegeven in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak van de kantonrechter.