Motivatie en achtergrond
OCW heeft besloten voor opname van de onkostenvergoeding in de lumpsum - in totaal een
bedrag van 1,4 miljoen euro - omdat de oude regeling nogal wat administratieve rompslomp met zich meebracht. Bovendien kon de regeling tot oneerlijke situaties leiden. Een nadeel van de nieuwe regeling is dat alle voordeel uit een dienstbetrekking loon is en dat het dus bruto moet worden verrekend. Althans, dat geldt voor een onkostenvergoeding waar geen echte onkosten tegenover staan. Feitelijke kosten kunnen gewoon worden gedeclareerd.
Oude situatie
Om uw keuze uit de drie mogelijkheden te kunnen motiveren, is het goed de oude situatie te kennen. De IB-groep betaalde een vaste vergoeding van € 2,- per kandidaat met een maximum van € 39,71 per vak per schoolsoort. Had een leraar een tweede correctie van 100 kandidaten verdeeld over vier vakken en/of schoolsoorten, dan kreeg hij voor elke combinatie van vak en schoolsoort de vergoeding, dus totaal maximaal 4 maal € 39,71 = € 158,84. Een andere leraar die de tweede correctie voor 100 kandidaten van één vak van één schoolsoort verzorgde, kreeg slechts € 39,71. In het algemeen was de vergoeding vaak hoger dan de feitelijke kosten.
Verworven rechten
De oneerlijkheid bij de oude regeling wordt in de nieuwe situatie weggenomen. Wel kunnen docenten keuze 1 ervaren als aantasting van verworven rechten. In de oude situatie werd immers niet gekeken naar de feitelijke kosten. Bij keuze 2 blijven de verworven rechten voor het grootste deel behouden. Die variant leidt wel tot meerkosten voor de school, maar deze zijn laag in vergelijking met de totale uitgaven van de school.
De VO-raad is de sectororganisatie voor het voortgezet onderwijs