17 april 2019

In onderstaand artikel vindt u de belangrijkste punten uit de Staat van het Onderwijs 2019 wat betreft het burgerschapsonderwijs: hoe staat dit ervoor volgens de Onderwijsinspectie?

Onderwijs is meer dan voorbereiden op de arbeidsmarkt. Het onderwijs heeft ook een functie in de maatschappelijke integratie van leerlingen en studenten en daarmee in de sociale cohesie in de samenleving. Het is onbekend hoe het hiermee bij jongeren staat, wat onwenselijk is, omdat socialisatie één van de kerntaken van onderwijs is. Ook schoolleiders en bestuurders hebben vaak niet een goed beeld van hoe hiermee staat, wat het lastig maakt om te prioriteren of sturen.

De Inspectie van het Onderwijs rapporteerde eerder al dat scholen aangeven burgerschapsonderwijs belangrijk te vinden en daaraan invulling te geven. Hoe scholen dat doen, loopt echter sterk uiteen. Dat geldt zowel voor de mate waarin scholen beschikken over een uitgewerkte visie op de manier waarop ze dat willen doen, als voor de aandacht die de verschillende aspecten van burgerschap (zoals leren over andere culturen, basiswaarden, democratie en andere) in het onderwijs krijgen.

De Inspectie van het Onderwijs wijst er ook al geruime tijd op dat veel scholen weinig tot geen inzicht hebben in de resultaten van hun burgerschapsonderwijs. Wel is periodiek sprake van internationaal vergelijkend onderzoek, dat een beeld geeft van burgerschapscompetenties in het voortgezet onderwijs in Nederland. De laatste meting vond drie jaar geleden plaats (2016) en liet zien dat de burgerschapscompetenties van leerlingen in het tweede jaar vo achterblijven bij die van leeftijdsgenoten in vergelijkbare landen. Het onderzoek laat zien dat leerlingen in meerderheid democratische opvattingen over burgerschap steunen, waarbij het respecteren van verschil in opvattingen voor de meesten een belangrijk aspect is. Onze 14-jarigen hebben echter minder burgerschapskennis en -vaardigheden dan jongeren in vergelijkbare landen. Ook kennis over de manier waarop de samenleving ‘in elkaar zit’ en de democratie ‘werkt’, blijft achter bij landen om ons heen en het vertrouwen in eigen vaardigheden om actief aan de samenleving mee te doen, is bescheiden.

Er zijn er grote verschillen tussen groepen leerlingen. Naarmate leerlingen uit hogere sociale milieus komen en op havo of vwo zitten, hebben ze meer burgerschapskennis, vinden ze politieke participatie belangrijker en hebben meer vertrouwen in hun burgerschapsvaardigheden. Ook bij burgerschapshoudingen vallen de verschillen tussen groepen op. Meisjes en leerlingen waarvan een of beide ouders in het buitenland zijn geboren, scoren hoger. Op burgerschapskennis scoren leerlingen zonder migratieachtergrond hoger.

Tussen 2009 en 2015 is de burgerschapskennis enigszins toegenomen, behalve in het vmbo. Op veel havo- en vwo-scholen is de burgerschapskennis in het derde leerjaar hoger dan in het eerste leerjaar. Op vmbo-scholen is van een dergelijke groei van kennis veel minder sprake. Dat geldt ook voor de burgerschapshoudingen van leerlingen. Wel nemen op relatief veel vmbo-scholen de burgerschapsvaardigheden toe, zoals het kunnen verdedigen van een standpunt. Leerlingen met lager opgeleide ouders en op lagere schoolsoorten hebben de minste burgerschapscompetenties. Op scholen die veel burgerschapsonderwijs geven, is deze achterstand beduidend minder.

De VO-raad herkent de conclusies van de Staat van het Onderwijs. Scholen besteden weliswaar aandacht aan burgerschap, maar missen soms een heldere visie en een planmatige, opbrengstgerichte aanpak. Lang niet altijd is er een duidelijke leerlijn in het curriculum.

Naar alle waarschijnlijkheid treedt in het najaar van 2019 de nieuwe wet Burgerschapsonderwijs in werking. Deze geeft scholen meer richting en is minder vrijblijvend: de burgerschapsopdracht aan scholen wordt verduidelijkt en er is vastgelegd dat scholen leerlingen kennis en respect moeten bijbrengen voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en ieders grondrechten.

Bekijk de complete Staat van het Onderwijs 2019