In 2016 is 87% van de leerlingen die deelnam aan een zomerschool alsnog bevorderd naar het volgende schooljaar. Hierbij is een direct verband aan te tonen tussen de deelname van leerlingen en het niet blijven zitten. Dit blijkt uit onderzoek van TIER UM (instituut voor onderwijsonderzoek, Universiteit Maastricht) naar de lente- en zomerscholen van 2016. Naast het effect van de lente- en zomerscholen is hierbij ook het verloop van de lentescholen onderzocht.

In 2016 werden in totaal 96 lentescholen en 133 zomerscholen georganiseerd voor meer dan 11.000 leerlingen. Hierbij waren 488 scholen (vestigingen) betrokken. 63 lente- en zomerscholen hebben bij TIER UM informatie aangeleverd over de deelnemende leerlingen en hun klas/jaar/niveaugenoten (controlegroep).

Uit de analyse van deze gegevens blijkt dat 76% van de deelnemende leerlingen aan een lenteschool en 87% van de deelnemende leerlingen aan een zomerschool in 2016 alsnog bevorderd is naar het volgende schooljaar. De zomerschool heeft een direct verlagend effect op het zittenblijven van de deelnemende leerlingen. Voor de lenteschool kon een direct verband niet worden aangetoond. Dit komt omdat bij de groep onderzochte lentescholen sprake was van verschillen in de selectie van leerlingen, in de duur van de interventie en in het directe belang van de interventie voor de leerling.

Procesonderzoek lentescholen

Naast de effecten van de lente- en zomerscholen, is ook onderzocht hoe betrokkenen de lentescholen – die in 2016 voor het eerst landelijk georganiseerd werden – hebben ervaren en wat verbeterpunten zijn. Uit dit onderzoek blijkt dat zowel de betrokken coördinatoren, docenten, leerlingen als ouders de lentescholen overwegend positief beoordelen. Ongeveer 90% van de leerlingen vond het nuttig om deel te nemen en 70% denkt dat het ook heeft geholpen om over te gaan. Wel geven ook veel leerlingen aan dat de lenteschool niet aan hun verwachtingen voldeed. Ze vonden de lenteschool te lang, vonden dat ze te veel lesstof kregen, of hadden meer klassikale les verwacht.

Ook coördinatoren zijn over het algemeen positief – met name over de kennis en (didactische) vaardigheden van lenteschooldocenten – maar zij wijzen ook op een aantal aandachtspunten. Zo geven ze aan dat het soms lastig was om (externe) lenteschooldocenten te vinden, lesmateriaal te regelen, goed af te stemmen tussen deelnemende scholen en intakes en voorlichtingen te organiseren.

Aanbevelingen

In reactie op bovenstaande doet TIER UM een aantal aanbevelingen om lentescholen (nog) beter te organiseren. Zo adviseert TIER UM om meer en anders te communiceren richting ouders en leerlingen, zodat hun verwachtingen beter aansluiten bij de realiteit. De verwachting is dat leerlingen hierdoor ook gemotiveerder zullen zijn tijdens deelname. Verder is het aan te bevelen om de lenteschool goed voor te bereiden en een duidelijk draaiboek te volgen. Adequate communicatie tussen de eigen docent en lenteschooldocent is daarin cruciaal. Initiatiefnemers VO-raad en CNV Onderwijs zien in de aanbevelingen aanleiding om deelnemende scholen te voorzien van meer voorbeeldmateriaal, zoals draaiboeken en voorbeeldbrieven naar ouders en leerlingen.

Ondanks de positieve resultaten van de lente- en zomerscholen constateren de onderzoekers een stijging van het landelijk aantal zittenblijvers. De VO-raad onderzoekt samen met CNV Onderwijs en OCW de oorzaken voor deze stijging en hoe dit zich verhoudt tot het succes van de lente- en zomerscholen.

Downloads