Minister: meer ruimte voor nieuwe scholen nodig

03 oktober 2018

Het kabinet wil meer ruimte bieden voor nieuwe scholen. Dit is de strekking van een wetsvoorstel dat minister Slob op 3 oktober 2018 naar de Tweede Kamer stuurde. Deze nieuwe scholen kunnen niet langer alleen op grond van een bepaalde geloofs- of levensovertuiging worden gesticht, maar ook op een pedagogische of andersoortige grondslag. De VO-raad steunt deze verbreding van de grondslag. De timing van dit wetsvoorstel is echter ongelukkig. Met de toenemende krimp is er steeds minder ruimte voor nieuwe scholen.

Belangrijkste elementen wetsvoorstel

Doel van het wetsvoorstel is: meer dynamiek, initiatief en innovatie om de onderwijssector eigentijds te houden. Hiertoe worden verschillende wetsartikelen aangepast. Naast de verbreding van de mogelijke grondslag waarop een school gesticht kan worden, vallen een viertal aanpassingen op:

  • Het oordeel over een nieuwe school wordt gebaseerd op waarborgen voor de te verwachten kwaliteit. De Onderwijsinspectie gaat hierover advies uitbrengen aan de minister, op basis van een zogenaamd startdocument.
  • Om de belangstelling voor de nieuwe school in beeld te brengen kan worden gekozen uit twee methoden: het verzamelen van handtekeningen of het uitvoeren van een marktonderzoek. Hiermee kan worden aangetoond dat het nieuwe initiatief de gestelde stichtingsnorm kan behalen. Daarbij moet rekening worden gehouden met demografische ontwikkelingen in de komende jaren.
  • Een nieuw initiatief is verplicht om de bestaande schoolbesturen in het voedingsgebied uit te nodigen voor een overleg. Aan dit overleg zijn geen nadere eisen verbonden. Wel wordt de suggestie gedaan om alvast voor te sorteren op een mogelijke samenwerking.
  • Het oprichten van een nevenvestiging wordt ook onderdeel van deze nieuwe procedure en kan daarmee niet langer direct via het RPO. Dit betekent dat bestaande schoolbesturen bij het oprichten van een nieuwe nevenvestiging voldoende belangstelling moeten aantonen en een startdocument (dit mag een bestaand schoolplan zijn) inleveren bij de Onderwijsinspectie. Hiermee wordt een ‘gelijk speelveld’ gecreëerd tussen nieuwe initiatieven en bestaande schoolbesturen.
     

Krimp vraagt om samenwerking

Het voorgezet onderwijs krimpt in de komende tien jaar met meer dan 10 procent. In bepaalde regio’s loopt dit op tot boven de 20 procent. In deze regio’s is daarmee weinig of geen ruimte voor nieuwe scholen. Het verdient daarom aanbeveling om de recent door de Tweede Kamer aangenomen Krimpcheck toe te passen op dit wetsvoorstel.

Op dit moment worden nauwelijks nieuwe scholen gesticht. Reden hiervoor is dat nieuwe initiatieven bij het meten van de belangstelling geen leerlingen mogen meerekenen die al staan ingeschreven bij bestaande scholen. Hiermee wordt de doelmatigheid van het scholenaanbod geborgd. Na invoering van dit wetsvoorstel hoeven nieuwe initiatieven de leerlingen die al staan ingeschreven op bestaande scholen niet langer in mindering te brengen op hun belangstellingsmeting. In beginsel kan vanaf dat moment overal een nieuwe school worden gesticht.

De in het wetsvoorstel opgenomen ‘uitnodigingsplicht’ is bedoeld om deze nieuwe scholen aan te sporen de samenwerking te zoeken. De VO-raad is van mening dat deze ‘uitnodigingsplicht’ niet ver genoeg gaat en pleit voor een meer verplichtend karakter van zo’n gesprek. Zeker als verregaande samenwerking een veel betere optie is voor de doelmatigheid van het scholenaanbod in die regio. Daar moet wel tegenover staan dat de bestaande scholen zich bereid tonen om het door ouders gevraagde onderwijsaanbod te realiseren. Doel van het gesprek zou moeten zijn om te onderzoeken of het nieuwe initiatief geïmplementeerd kan worden op een bestaande school.

Overige aandachtspunten

Naast het verdergaand stimuleren van samenwerking vraagt de VO-raad aandacht voor onderstaande punten.

  • Op dit moment kunnen schoolbesturen in onderling overleg besluiten dat het nodig is om een nieuwe nevenvestiging op te richten. Met dit wetsvoorstel wordt deze procedure verzwaard. De VO-raad ziet dit als een onnodige verzwaring van administratieve last en een degradatie van het overleg over een RPO. Zeker als er in een bepaalde regio geen nieuwe initiatieven zijn. Wij zetten ons ervoor in om het oprichten van een nieuwe nevenvestiging binnen het RPO te houden.
  • De Onderwijsinspectie gaat de startdocumenten beoordelen. De VO-raad vraag zich af hoe deze beoordeling eruit gaat zien en onder welke voorwaarden dit zal leiden tot een negatief advies.
  • De belangstelling voor een VO-school wordt gemeten onder ouders van 10 tot 12-jarigen. Bij lang niet alle leerlingen is op dat moment duidelijk welke schoolsoort zij kiezen. Bovendien zijn deze leerlingen (of minimaal een deel ervan) waarschijnlijk al lang naar een andere school als de school daadwerkelijk van start kan. Hoe wordt rekening gehouden met deze problematiek?