Wat speelt er?

Vanaf 1 augustus 2016 hanteert de Onderwijsinspectie een nieuw model om de onderwijsresultaten van een school te berekenen.

Hieronder vindt u meer informatie over het nieuwe onderwijsresultatenmodel en de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het oude opbrengstenmodel.

Vier indicatoren

Het nieuwe onderwijsresultatenmodel kent vier indicatoren voor het berekenen van de onderwijsresultaten:

  • onderwijspositie ten opzichte van schooladvies po (positie in leerjaar 3 ten opzichte van po-advies, op vestigingsniveau);
  • onderwijssnelheid onderbouw (onvertraagde doorstroom naar een volgend leerjaar, op vestigingsniveau);
  • onderwijssucces bovenbouw (daadwerkelijk behaalde succesvolle overgangen of afrondingen, per schoolsoort);
  • examencijfers (gemiddeld cijfer van het centraal examen, inclusief beroepsgerichte vakken vmbo, per schoolsoort).
     

Aanpassing indicator 'onderwijspositie t.o.v. schooladvies' voor gemengde adviezen

De berekening van de indicator ‘onderwijspositie ten opzichte van schooladvies po’ is aangepast voor gemengde adviezen. Als een leerling met een gemengd schooladvies afstroomde naar het lagere niveau, werd de school hier in het oude opbrengstenmodel op afgerekend. De school haalde dan een minder hoge score qua onderwijsresultaten. In het nieuwe onderwijsresultatenmodel ondervinden vo-scholen er geen nadeel meer van als leerlingen bij een dubbel advies op het laagste van het gemengde advies terechtkomen. Als leerlingen in leerjaar 3 op het hoogste advies onderwijs volgen, worden scholen hiervoor beloond. Scholen worden zo gestimuleerd leerlingen met een gemengd schooladvies ‘het voordeel van de twijfel te bieden’.

Indicator verschil SE-CE vervalt

De indicator ‘verschil tussen schoolexamens (SE) en centrale examens (CE)’ wordt niet langer meegenomen in de onderwijsresultatenberekening. Deze indicator leidde tot veel discussie in scholen en heeft ertoe bijgedragen dat schoolexamens (voorheen schoolonderzoek) en centrale examens steeds meer op elkaar zijn gaan lijken. Het verschil SE-CE blijft wel zichtbaar in de afgeschermde overzichten in het Internet Schooldossier.

Absolute in plaats van relatieve normen

Het nieuwe model is niet langer gebaseerd op relatieve normen, maar hanteert absolute normen. Bij de relatieve normering van het oude opbrengstenmodel waren de schoolresultaten afhankelijk van de resultaten van andere - vergelijkbare - scholen. Het was zo niet altijd duidelijk waar de ‘lat’ lag voor een school of schoolsoort. Met de absolute normen is dit wel duidelijk. Scholen krijgen zo ook  eerder zicht of ze onder of (ruim) boven de gestelde norm presteren, en kunnen hun beleid hier eerder en beter op aanpassen (‘sturen op opbrengsten’). Afhankelijk van de leerlingpopulatie van de school kan er een correctie op de norm plaatsvinden. De indicatoren onderwijssnelheid onderbouw, onderwijssucces bovenbouw en examencijfers kunnen worden gecorrigeerd voor de leerlingkenmerken apcg, zij-instroom en lwoo (voor vmbo).

De absolute norm kan ook bijdragen aan het terugdringen van het aantal zwakke scholen. Door het hanteren van relatieve normen was dat eerder in het vo niet mogelijk, omdat er dan hoe dan ook een groep scholen/afdelingen bleef die relatief het minst goed presteerde.

Gegevens BRON PO en BRON VO uitgangspunt

Uitgangspunt voor de indicator ‘onderwijspositie ten opzichte van schooladvies po’ zijn de gegevens die door de basisscholen zijn ingevoerd in BRON PO. Voor de andere indicatoren zal de inspectie zich in het vervolg volledig baseren op de gegevens in BRON VO en geen zogenoemde ‘reconstructieberekeningen’ meer uitvoeren.