Page 1 Copy 2 Created with Sketch.
Inspectietoezicht
Begin 2016 werd het initiatiefswetsvoorstel 'Doeltreffender regeling van het onderwijstoezicht' van de SGP, D66 en het CDA aangenomen door de Tweede en Eerste Kamer. Deze wet geldt sinds 1 augustus 2017 en heeft aanzienlijke gevolgen voor de rol van de Onderwijsinspectie en de uitoefening van het toezicht.

In een brief aan de Kamer (juni 2016) en brochure (maart 2017) schetst OCW de inrichting van het nieuwe onderwijstoezicht. Met de nieuwe wet worden de twee taken van de Inspectie – die op dit moment soms door elkaar lopen – duidelijker gedefinieerd en van elkaar gescheiden:

  • Controlerende/oordelende taak. De Inspectie controleert of scholen voldoen aan de wettelijk vastgestelde deugdelijkheidseisen en daarmee de basiskwaliteit op orde hebben. De Inspectie velt hierover het oordeel zeer zwak, zwak of voldoende. Bij scholen die de basiskwaliteit op orde hebben, treedt de Inspectie meer terug.
  • Stimulerende taak. De Inspectie denkt als ‘kritische vriend’ mee over de kwaliteitsvisie van de school: komt deze voldoende terug in de (onderwijs)praktijk, wat kan beter en hoe kan de school dit aanpakken? Aan de bevindingen en het advies van de Inspectie hangt nadrukkelijk geen oordeel vast. De Inspectie kan wel – op verzoek van de school – kijken of ze op basis van haar bevindingen het predicaat ‘goed’ of ‘excellent’ kan toekennen.

De belangrijkste verandering is dus dat de Inspectie vooral controleert of een school aan de basiskwaliteit voldoet, en meer terugtreedt als dit het geval is. Niet de Inspectie, maar de school zelf bepaalt verder wat goed onderwijs is en of de school hieraan voldoet (de Inspectie kan hier wel over meedenken). Scholen zijn ook primair zelf verantwoordelijk om aan kwaliteitsverbetering te werken. Dit moeten scholen vastleggen in het schoolplan. De wet plaatst scholen zelf zo weer in de hoofdrol als het gaat om de kwaliteit van het onderwijs.

In de nieuwe inspectie-aanpak is het bestuur – meer dan voorheen – het eerste aanspreekpersoon voor het toezicht. Daarnaast maakt een gesprek met de Raad van Toezicht en de GMR ook altijd onderdeel uit van het inspectieonderzoek.

Meer over de eindoordelen voldoende, onvoldoende of zeer zwak

Het eindoordeel ‘voldoende’, ’onvoldoende’ of ‘zeer zwak’ kan alleen door de Inspectie worden toegekend op basis van de deugdelijkheidseisen. Aan het niet voldoen aan eisen die de wet stelt, kunnen rechtsgevolgen worden verbonden.

Het oordeel ‘onvoldoende’ wordt gegeven als besturen of scholen niet voldoen aan een of meerdere van de deugdelijkheidseisen. Zij krijgen een opdracht tot herstel. Het oordeel ‘zeer zwak’ wordt gegeven als de leerresultaten ernstig en langdurig tekortschieten en de school eveneens tekortschiet in de naleving van een of meer (relevante) deugdelijkheidseisen. Aan dit oordeel zijn specifieke en zwaardere rechtsgevolgen verbonden. Ouders moeten worden geïnformeerd en zij moeten bij de verbetermaatregelen worden betrokken. Als de school of opleiding langer dan een jaar ‘zeer zwak’ is, dan heeft de minister de bevoegdheid om een school te sluiten of de rechten van een opleiding in te trekken. Het bestuur kan bezwaar en beroep aantekenen tegen het oordeel ‘zeer zwak’.

Meer over de predicaten goed en excellent

Voor de bevinding ‘goed’ zijn de eigen aspecten van kwaliteit doorslaggevend. Als scholen in aanmerking willen komen voor het predicaat ‘goed’, moeten zij vanuit de eigen analyses al geconcludeerd hebben dat de school bovengemiddeld presteert. Vervolgens onderzoekt de Inspectie of de school voldoet aan de deugdelijkheidseisen en of het de eigen ambities uit het schoolplan op overtuigende wijze realiseert.

Het predicaat ‘excellent’ zal – evenals nu – op basis van een jury-oordeel worden verleend. Scholen en besturen kunnen voor meer informatie over het traject en aanmelding terecht op de website Excellentescholen.nl van de Inspectie.

Onderzoekskader

De Inspectie heeft op basis van de nieuwe wet een onderzoekskader (voorheen: toezichtskader) uitgewerkt. Hierin wordt beschreven hoe het onderzoek door de Inspectie in zijn werk zal gaan. Het onderzoekskader bestaat uit twee delen: een waarderingskader waarin staat wat de Inspectie onderzoekt en een werkwijze waarin staat beschreven hoe de Inspectie het onderzoek inricht. Het onderzoekskader geeft daarnaast aan hoe de Inspectie tot oordelen en bevindingen komt.