Deel samenwerkingsverbanden nog voorzichtig met besteding middelen

07 december 2016

Een deel van de samenwerkingsverbanden po en vo heeft de middelen die ze in 2015 hebben ontvangen voor passend onderwijs (nog) niet of niet geheel besteed. Dit concludeert staatssecretaris Dekker in de tiende voortgangsrapportage passend onderwijs, die hij op 6 december naar de Tweede Kamer stuurde. In totaal gaat het om circa 111 miljoen van de 1,16 miljard euro aan ontvangen middelen.

Volgens de VO-raad is dit niet per definitie negatief. Samenwerkingsverbanden hebben ten eerste simpelweg reserves nodig om mogelijke tegenvallers te kunnen opvangen, zoals ook Dekker in zijn brief schrijft. We zien ook dat een aantal samenwerkingsverbanden een buffer aanlegt voor de effecten van negatieve verevening in de komende jaren. Verder is het zo dat deze cijfers gaan over het eerste jaar dat passend onderwijs volledig van kracht was; svw’en wisten toen nog niet precies wat ze konden verwachten, de benodigde kengetallen waren nog niet allemaal beschikbaar en het was nog niet altijd helder wat een realistisch weerstandsvermogen voor een swv zou moeten zijn. De VO-raad vindt het wel belangrijk dat in de toekomst een goede balans wordt gevonden tussen het opbouwen van reserves en het uitgeven van de ontvangen middelen ten behoeve van de leerlingen die passend onderwijs nodig hebben.

Dekker benadrukt in zijn brief dat de reden en de omvang van de reserves goed moeten worden onderbouwd in het jaarverslag, en moeten aansluiten bij de reële onzekerheden en risico’s. Hij zal de komende periode een aantal acties in gang zetten om te stimuleren dat de middelen worden uitgegeven en de jaarverslaglegging wordt verbeterd:

  • De Inspectie bespreekt als onderdeel van het financieel toezicht de inzet van de middelen voor extra ondersteuning met zowel de schoolbesturen als de samenwerkingsverbanden.
  • In de eerste maanden van 2017 worden regiobijeenkomsten georganiseerd voor samenwerkingsverbanden om hen te informeren over de noodzakelijke onderdelen van de jaarrekening en het jaarverslag en te bespreken hoe zij hun jaarverslagen inhoudelijk kunnen verbeteren. Ook wordt een brochure gemaakt.
  • Passend onderwijs wordt meegenomen in een brief aan besturen en samenwerkingsverbanden als een van de beleidsprioriteiten om over te rapporteren in het jaarverslag.


Scholen en samenwerkingsverbanden kunnen voor ondersteuning op het vlak van bedrijfsvoering en verantwoording terecht bij het Steunpunt Passend Onderwijs VO, en specifiek gebruikmaken van de ‘Handreiking risicomanagement swv-en’ en de ‘Reader bestuursverslag swv-en’.

Thuiszitters

Een ander belangrijk thema in de voortgangsrapportage is opnieuw het thuiszitten. In het schooljaar 2015-2016 is sprake van een daling van het absoluut verzuim, maar dit verzuim duurt wel nog vaak langer dan drie maanden. Het langdurige relatieve verzuim is gestegen, al worden leerlingen tegelijkertijd ook vaker terug naar school geleid. In zijn brief schrijft Dekker dat ‘uit de cijfers eens te meer blijkt dat thuiszitten een hardnekkig probleem is dat niet van de ene op de andere dag op te lossen is, ondanks de inspanningen van velen’. Hij verwijst hierbij naar het thuiszitterspact, waarbinnen de VO-raad en andere partijen samenwerken om het aantal thuiszitters te verminderen en te voorkomen dat er nieuwe thuiszitters komen. De acties die – onder meer in het kader van dit pact – al in gang zijn gezet, zullen worden gecontinueerd.

In zijn advies over passend onderwijs - dat op 5 december jl. werd gepubliceerd - waarschuwt de Onderwijsraad ervoor het succes van passend onderwijs niet alleen af te meten aan het aantal thuiszitters. Bij een te eenzijdige focus op het terugdringen van het aantal thuiszitters kunnen niet alleen de overige doelen en verwachtingen rondom passend onderwijs naar de achtergrond verdwijnen, maar bestaat ook het gevaar dat de politiek te snel wijzigingen in de huidige koers wil aanbrengen, aldus de raad. De VO-raad onderschrijft dit.

Advies Onderwijsraad

In de voortgangsrapportage wordt ook nader ingegaan op andere aandachtspunten uit het advies van de Onderwijsraad. Zo signaleert de Onderwijsraad onder meer dat het moeilijk is om de geboden ondersteuning te vergelijken met de situatie van vóór de invoering van passend onderwijs. Ook vraagt de raad zich af hoe de overheid de verantwoordelijkheid voor het stelsel kan nemen, als zij hierover onvoldoende informatie heeft. De VO-raad is verbaasd over deze zorgen, het gaat immers om een decentralisatie waarbij de verantwoordelijkheid in de regio is belegd.

Daarnaast gaat de Onderwijsraad in op governance. De raad constateert een complexe situatie: bij samenwerkingsverbanden aangesloten besturen hebben op twee niveaus te maken met een vorm van toezicht (op het niveau van hun eigen bestuur én op dat van het samenwerkingsverband). Hierdoor is het niet altijd duidelijk wat ieders rol en positie is. Voor de VO-raad is dit een herkenbaar aandachtspunt. Via het Steunpunt Passend Onderwijs VO ondersteunt de VO-raad scholen en swv’en bij het inrichten van goede governance en het vaststellen van rollen, taken en verantwoordelijkheden.

‘In de onderwijspraktijk bestaat een negatief beeld van passend onderwijs’, luidt het rapport van de Onderwijsraad verder. Deze beeldvorming dateert al van ver vóór de invoering en is lastig te kantelen, constateerde ook de VO-raad al eerder. De grote regionale verschillen maken echter duidelijk dat de oplossingen hiervoor ook in de regio gevonden moeten worden.

Overige onderwerpen

Tenslotte behandelt de voortgangsrapportage nog een groot aantal andere deelonderwerpen, waaronder de inpassing van lwoo en pro in passend onderwijs en de samenwerking tussen regulier en speciaal onderwijs, jeugdhulp en gemeente. Ook kondigt Dekker in de voortgangsrapportage een verkenning aan naar de mogelijkheden voor leerlingen met een zorgbehoefte om (deels) onderwijs op een andere locatie te volgen. Er loopt op dit moment een publieke internetconsultatie voor een Wetsvoorstel onderwijs op andere locaties.