Hoge slagingspercentages, weinig profielkeuze in het vmbo
Meer dan de helft van alle scholieren in het voortgezet onderwijs volgt een vmbo-opleiding. Het vmbo biedt innovatief en praktijkgericht onderwijs dat doorlopend inspeelt op maatschappelijke en technologische ontwikkelingen. Het programma is flexibel en biedt met de verschillende profielen een betekenisvolle leeromgeving voor leerlingen. Toch blijft het vmbo in het publieke debat vaak onderbelicht en wordt het soms nog onterecht geassocieerd met beperkte kansen. Met een nieuwe themarapportage zet de VO-raad de feiten op een rij en schetsen wij een genuanceerd en realistisch beeld van het vmbo.
Hoge slagingspercentages vmbo en sterke aansluiting op werk na afronden mbo-opleiding
De rapportage laat zien dat het vmbo een stevige basis vormt voor vervolgonderwijs en werk. Het vmbo kent de hoogste slagingspercentages van alle onderwijsrichtingen. In schooljaar 2024–2025 slaagde 97 procent van de leerlingen in de basisberoepsgerichte leerweg, 95 procent in de kaderberoepsgerichte leerweg en 92 procent in de gemengde/theoretische leerweg. Ook de doorstroom naar het mbo is groot: negen op de tien geslaagde vmbo-leerlingen stonden een jaar later ingeschreven bij een mbo-instelling.
Van de vmbo-leerlingen die doorstromen naar het mbo behaalt zeven op de tien studenten uiteindelijk een mbo-diploma. Na afstuderen heeft 90 procent van de mbo’ers direct werk..
Vmbo-scholen hebben desondanks meer dan andere onderwijsrichtingen te maken met maatschappelijke uitdagingen. Denk aan thema’s als personeelstekorten, kansenongelijkheid en de extra ondersteuningsbehoefte van leerlingen. Met deze themarapportage wil de VO-raad bijdragen aan beter onderbouwd beleid, versterking van de onderwijspraktijk en meer publieke waardering voor het vmbo.
Vmbo-vestigingen bieden aan meer leerlingen extra ondersteuning
Vmbo-vestigingen, en met name vestigingen met uitsluitend vmbo-aanbod, hebben relatief veel leerlingen met een verhoogde kans op een onderwijsachterstand. Deze leerlingen hebben meer begeleiding vanuit school nodig. Het gaat volgens het CBS onder meer om leerlingen met ouders met een beperkt opleidingsniveau, leerlingen met een niet-Nederlandse herkomst en leerlingen uit gezinnen met problematische schulden. De gemiddelde achterstandsscore per leerling ligt op vmbo-vestigingen twee of meer keer zo hoog als op andere typen scholen.
“Voor mij is het vmbo een startpunt vol kansen, maar die kansen komen niet vanzelf. Ik zie elke dag hoe belangrijk extra begeleiding is voor onze vmbo-leerlingen. Ze hebben die steun nodig om hun talenten waar te maken. Ik ben trots op wat we samen bereiken, maar het vraagt veel van onze teams. Als we willen dat iedere leerling meedoet, is er politieke moed nodig om nu gericht te investeren in mensen en middelen voor het vmbo. Dat is geen luxe, dat is de basis.”
Daarnaast stromen veel nieuwkomers via Internationale Schakelklassen (ISK) door naar het vmbo. Meer dan de helft van de ISK-leerlingen ging in schooljaar 2023–2024 naar het vmbo. Doordat het zeker vijf jaar duurt voordat leerlingen de Nederlandse taal voldoende beheersen om de lessen volledig te kunnen volgen, is het vaak lastig om na twee jaar al de best passende onderwijsrichting te bepalen. Een brede vestiging of brugklas kan hierbij een uitkomst bieden, omdat dan de keuze voor een onderwijsrichting later gemaakt wordt. De doorstroom van ISK-leerlingen naar havo en vwo is de afgelopen jaren gestegen (van 18% naar 26%). Vaak hebben oud-ISK-leerlingen in de eerste jaren dat zij regulier onderwijs volgen nog een taalachterstand, waarvoor ze extra ondersteuning nodig hebben. Dit komt voor een groot deel bij vmbo-vestigingen terecht, terwijl zij daarvoor geen extra budget ontvangen.
Vmbo-scholen die te maken hebben met een verhoogde onderwijsachterstand merken dat leerlingen baat kunnen hebben bij meer tijd op het vmbo. Door een jaar extra op het vmbo te volgen, kunnen leerlingen bijvoorbeeld wel op een passende onderwijsrichting een diploma halen. Het huidige onderwijsresultatenmodel van de Inspectie maakt dat leerlingen die een jaar langer over het vmbo doen een negatieve impact hebben op de resultaten van de school. Ook een bewuste keuze voor een praktijkgerichte vmbo-opleiding in plaats van een theoretische opleiding, of een tussentijdse overstap vanaf de havo naar een mbo-opleiding wordt in het huidige model ontmoedigd, ondanks dat het de beste keuze is voor de leerling in kwestie. De VO-raad pleit dan ook voor het wijzigen van de inhoud van het onderwijsresultatenmodel, zodat de leerling voorop staat en niet de snelste route tot een diploma en het beroepsgericht onderwijs op de juiste waarde wordt geschat.
Vmbo harder geraakt door lerarentekorten
Het vmbo wordt relatief hard getroffen door het lerarentekort, meer dan havo en vwo. Op het vmbo werken vooral docenten met een tweedegraads bevoegdheid en juist voor deze groep bedroeg in 2024 het lerarentekort als percentage van de werkgelegenheid 3,8 procent, tegenover een tekort van 2 procent voor eerstegraadsdocenten. Vooral bij vakken als Nederlands en wiskunde is het tekort aan tweedegraadsdocenten groot. Ook op dit punt heeft het vmbo te maken met een grote(re) uitdaging om aan alle leerlingen goed onderwijs te kunnen bieden.
“Werken in het vmbo is misschien wel de plek waar je het grootste verschil kunt maken. Hier zie je jongeren groeien en ervaar je hoe onderwijs direct impact heeft op levens én op onze samenleving. Dat maakt het des te opmerkelijker dat we juist hier een lerarentekort hebben, terwijl dit werk zoveel betekenis en voldoening biedt.”
Toename aantal leerlingen in brede brugklassen
Het aandeel leerlingen dat in een vmbo-brede brugklas of een brugklas met meerdere onderwijsrichtingen (avo-breed of breed) begint, is de afgelopen jaren gestegen. Ook in het tweede leerjaar zit nog iets meer dan 45 procent van de leerlingen in een klas met meerdere leerwegen of onderwijsrichtingen. De toename van het aantal leerlingen die starten in een brede brugklas is een bemoedigende ontwikkeling die wij toejuichen. Brede brugklassen zorgen ervoor dat leerlingen vaker beter presteren dan op grond van het basisschooladvies mag worden verwacht. Ook is de drempel om vanuit een brede brugklas door te stromen naar een andere onderwijsrichting relatief laag voor leerlingen. Deze brugklassen kunnen daarmee met name de kansen vergroten voor leerlingen die - omdat ze bijvoorbeeld uit een achterstandssituatie komen - een niet passend schooladvies hebben gekregen en/of op wat latere leeftijd excelleren.

Tegelijkertijd valt op dat bijna de helft van de vmbo-vestigingen maar twee, drie of vier profielen aanbiedt. Een minderheid (19%) van de vestigingen biedt vijf of meer profielen aan. Scholen hebben moeite om – met dalende leerlingaantallen en beperkte animo voor sommige profielen - een rijk aanbod van beroepsgerichte profielen ‘in de lucht te houden’, omdat dit onbetaalbaar is. Het betekent evenwel dat veel leerlingen beperkt kennis kunnen maken met profielen die belangrijk kunnen zijn voor hun toekomst en de arbeidsmarkt. Hierdoor komt de brede ontwikkeling van leerlingen onder druk te staan. Het herstructureren van de profielen en beroepsgerichte programma’s in de bovenbouw van het vmbo maakt het onderwijs overzichtelijker en beter uitvoerbaar. Het voorkomt versnippering (te kleine klassen), waardoor scholen efficiënter kunnen organiseren en personeel beter kunnen inzetten. En belangrijk: het kan eraan bijdragen dat leerlingen zich breed kunnen oriënteren. Een herziening van de profielenstructuur in het vmbo is daarom noodzakelijk.




