Inspectie gaat vernieuwd toezicht doorontwikkelen

07 juli 2020

Ervaringen met het vernieuwde toezicht tot nu toe en ontwikkelingen in het onderwijs vragen om aanpassingen in de werkwijze en het onderzoekskader van de inspectie. Dit concludeert de Onderwijsinspectie in de voortgangsrapportage 2018-2019 van de Evaluatie Vernieuwd Toezicht. De inspectie heeft op basis van deze tussentijdse evaluatie een aantal verbeterpunten vastgesteld.

Met de evaluatie wil de inspectie in kaart brengen wat beter kan en moet als het gaat om het vernieuwde toezicht, dat werd ingevoerd in augustus 2017. Naast eigen onderzoek naar de waardering van het veld, een interne evaluatie onder medewerkers en een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de oordelen, bestond de evaluatie uit een onderzoek van het Kohnstamm Instituut naar excellente scholen en een onderzoek van de Radboud Universiteit naar de effecten van het toezicht. 

Het algemene beeld uit de evaluatie wordt door de inspectie positief gewaardeerd: bestuurders, schoolleiders en leraren geven het inspectieonderzoek een ruime voldoende (tussen de 7,5 en 8), en de betrouwbaarheid van de inspectieoordelen wordt als voldoende tot hoog ervaren. Wel zijn er nog aandachtspunten. Geconcludeerd wordt dat de inspectie haar rol nog beter en effectiever kan vervullen. In de voortgangsrapportage worden ambities hiertoe geformuleerd, waaronder de onderstaande: 

  • De inspectie wil stelselproblemen, die de individuele school en het individuele bestuur overstijgen (zoals afnemende leesvaardigheid en kansenongelijkheid), meer meenemen in het toezicht. Met scholen en besturen kan meer worden besproken wat hun bijdrage aan het oplossen van deze problemen kan zijn.   
  • Het toezicht gaat meer aansluiten bij de specifieke kenmerken en situatie van besturen en scholen, zodat de context beter meegenomen wordt in het onderzoek.
  • De inspectie wil de intensiteit van het toezicht meer af laten hangen van de kwaliteit van besturing. Dit is al benoemd in het huidige onderzoekskader, maar wordt nog onvoldoende toegepast.
  • Er liggen kansen  voor een meer ‘principle-based-houding’ van de inspecteurs: hierbij lukt het eerder om een open gesprek te hebben waarbij de bestuurder zich gestimuleerd voelt. Het meer rule-based-toezicht (meer gericht op het voldoen aan eisen) kan dit effect in de weg staan. Dit laatste blijft wel noodzakelijk als er niet voldaan is aan de basiskwaliteit. 
  • Het onderscheid tussen wat wordt verstaan onder deugdelijkheideisen en wat onder ‘eigen aspecten van kwaliteit', wordt verder verhelderd. 


Tenslotte wil de inspectie komen tot meer flexibel toezicht, passend in een meer flexibel stelsel. Ontwikkelingen in het onderwijs – zoals meer samenwerkingen tussen besturen over onderwijssectoren heen, of het afstandsonderwijs – vragen een specifieke toepassing van het toezicht. Door flexibiliteit aan te brengen in het gebruik van het onderzoekskader en proportionaliteit in het kader op te nemen, wil de inspectie zo goed mogelijk toezien op nieuwe vormen van onderwijs en doorlopende leerlijnen. 

Vervolg: een herzien kader 

De inspectie wil zijn werkwijze, alsook de nieuwe onderzoekskaders 2021-2024 aanpassen op bovengenoemde ambities. Op dit moment is de inspectie de aanpassingen aan het verwerken in de onderzoekskaders. In het najaar worden deze kaders uitgebreid voorgelegd aan besturen, scholen, belangenorganisaties en het ministerie van OCW. Na een verdere aanpassing op basis hiervan en een juridische toetsing, moet in augustus 2021 worden gestart met het aangepaste kader.

De VO-raad voert het gesprek met zijn leden over de voorgenomen wijzigingen en zal op een later moment inhoudelijk reageren.