Nationaal Programma Onderwijs: Onderwijs toonde veerkracht in crisis
Met een slotmanifestatie in de Fokkerterminal is het Nationaal Programma Onderwijs in aanwezigheid van voormalig onderwijsminister Arie Slob formeel afgerond. Hij benoemde de veerkracht van het onderwijs tijdens de pandemie en benadrukte het belang om in de toekomst niet alleen vanuit een medische bril te kijken naar een pandemie maar juist ook sociale aspecten in de besluitvorming mee te nemen.
Tijdens deze manifestatie werd uitgebreid stilgestaan bij de- grote - impact van de pandemie op leerlingen en scholen. Het voortgezet onderwijs is in totaal 18 weken gesloten geweest in 2020 en 2021 waardoor afstandsonderwijs de norm werd. Ook gold er gedurende 15 weken een afstandsmaatregel van 1,5 meter, waardoor niet alle leerlingen tegelijkertijd naar school konden komen. Naast een terugblik werd er ook vooruitgeblikt: wat zijn de geleerde lessen die we mee kunnen nemen naar de toekomst? Hoe kunnen we nu leerlingen en scholen goed voorbereiden en toerusten voor eventueel crises die zich mogelijk voordoen?
Juist nu is het belangrijk om kritisch te kijken naar de kwetsbaarheden in ons onderwijsstelsel. De slechte luchtkwaliteit in schoolgebouwen en het gebrek aan flexibiliteit in de centrale examens in het vo en de eindtoets in het po hebben tijdens de pandemie voor grote uitdagingen gezorgd.

Doelen grotendeels gerealiseerd
Het Nationaal Programma Onderwijs is in het voorjaar van 2021 gelanceerd met als doel de gevolgen van de pandemie op het gebied van leervertragingen, welbevinden én kansengelijkheid in het onderwijs zoveel mogelijk op te vangen. Van de beschikbare 5,8 miljard voor het funderend onderwijs ontvingen scholen ruim 4 miljard in de vorm van aanvullende bekostiging. Ook gemeenten kregen middelen om voor kinderen en jongeren extra activiteiten te organiseren. Daarnaast werden nieuwe subsidieregelingen geïntroduceerd, zoals de arbeidsmarkttoelage en een subsidie voor heterogene brugklassen. Na ruim vier jaar kunnen we concluderen dat de meeste doelen van het programma zijn gerealiseerd.
Scholen hebben de mogelijkheden van het programma vrijwel direct omarmd en zijn voortvarend aan de slag gegaan. Vo-scholen hebben vooral ingezet op het versterken van het welbevinden van leerlingen. De schoolsluitingen en de rem op fysieke sociale contacten heeft veel gevolgen gehad voor de veerkracht en het mentaal welbevinden van leerlingen. De VO-raad is blij dat scholen erin zijn geslaagd het leed voor veel leerlingen te verzachten en hen weer perspectief te bieden. Met de meeste leerlingen gaat het weer goed.
In tegenstelling tot het po zijn de leeropbrengsten in de onderbouw van het vo nog niet op hetzelfde niveau als voor de pandemie. Zo is de vaardigheid voor Nederlands van leerlingen nog niet op orde en ook bij rekenen/wiskunde is er nog steeds sprake van een lager vaardigheidsniveau. Daarentegen hebben leerlingen een hoger vaardigheidsniveau voor Engels. Gelukkig trekken veel leerlingen in de bovenbouw een been bij en zijn de vaardigheidsniveaus aan het eind van het vo - zoals gemeten in het eindexamen - weer vergelijkbaar met die van voor de pandemie. Voor de havisten is dat nog niet het geval. Het onderzoeksbureau KBA heeft in ‘Het verhaal achter de cijfers’ mogelijke verklaringen voor uiteenlopende leerprestaties in het funderend onderwijs na de coronaperiode’ beschreven.
Welbevinden als voorwaarde voor ontwikkelen en leren
Dankzij de gelden uit het NP Onderwijs konden scholen en gemeenten extra inzetten op het herstellen van het welbevinden van leerlingen. Voor corona was er al sprake van afnemend welvinden onder jongeren. Dit kwam onder andere door toenemende prestatiedruk en stressklachten. De pandemie heeft het welbevinden van leerlingen nog meer onder druk gezet. De cijfers over welbevinden trekken weer wat bij maar zijn nog niet op het niveau van pre-corona. Schoolleiders maken zich minder zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen, de zorgen hierover zijn fors kleiner dan tijdens de start van de pandemie. Scholen geven echter wel aan behoefte te hebben aan structurele inzet op dit thema.
"Investeer in relaties, niet alleen in resultaten. Want een school waar jongeren zich goed voelen, is een school waar toekomst gebouwd wordt."
Menukaart met bewezen effectieve interventies
Scholen konden hun middelen inzetten voor interventies die bewezen effectief waren. Hiervoor was – naar Engels voorbeeld - een zogenoemde menukaart opgesteld. Gedurende de periode dat NP Onderwijs beschikbaar was zetten vo-scholen gemiddeld 9 interventies in. Voor de interventies zetten scholen eigen personeel en externe partijen in. Externe partijen werden vooral ingeschakeld voor hun expertise, die de school zelf niet (volledig) had. Gemiddeld ging 19% van de uitgaven naar externe inhuur.
De meest gekozen interventies waren: instructie in kleine groepen, interventies voor het welbevinden van leerlingen, de inzet van onderwijsassistenten, klassenverkleining en één-op-één begeleiding. Daarnaast investeerden gemeenten veel in maatregelen op sociaal-emotioneel vlak, zoals schoolmaatschappelijk werk en extra jeugdhulp in de school.
Uit het eindrapport van NP Onderwijs blijkt dat schoolleiders zelf tevreden zijn, niet alleen over de interventies maar ook over de uitvoering van het programma op hun school. Scholen zouden ook na afloop van het programma door willen gaan met bepaalde interventies. Dit zijn vooral interventies gericht op loopbaanoriëntatie en –begeleiding, technieken voor begrijpend lezen en directe instructie. Ook geven scholen aan dat het programma duurzame neveneffecten heeft zoals gerichte aandacht voor het welbevinden van leerlingen.
De VO-raad maakt zich wel zorgen over de continuïteit omdat de extra financiële middelen nu niet meer beschikbaar zijn.
Overstap naar vervolgonderwijs is een kwetsbaar moment
De Eindevaluatie NPO voor het vervolgonderwijs maakt duidelijk hoe belangrijk fysieke onderwijs- en begeleidingsomstandigheden zijn. Voor leerlingen die de vervolgstap maakten naar het vervolgonderwijs waren er minder mogelijkheden voor LOB, minder introductieprogramma’s bij de start en langere tijd weinig of geen fysiek onderwijs. Als student moesten zij op hun nieuwe school starten in tijden van schoolsluitingen, met weinig kans om aansluiting te vinden, los van hun oude, bekende schoolomgeving. De Eindevaluatie schrijft daarover: “Fysiek onderwijs is onvervangbaar. Volledig onlineonderwijs heeft negatieve gevolgen voor motivatie, mentale gezondheid en studievoortgang.”
“In het hoger onderwijs zien we dat uitval en switch in het jaar dat het coronavirus uitbreekt sterk daalt”, zo meldt de Eindevaluatie. “In het hbo en wo nemen beide percentages tijdens de lockdowns af. In de jaren daarna, vanaf 2021-2022 nemen de percentages uitval weer wat toe naar de niveaus van voor de pandemie”. Wel is er een verschil zichtbaar tussen de groep leerlingen die met en die zonder examenmaatregelen zoals de duimregeling slaagde. Uitval en switch na het eerste jaar liggen duidelijk hoger onder de geslaagden met examenmaatregelen (voor vwo-cohort uit 2021 waren de uitvalpercentages respectievelijk 8% en 4%). Dat neemt niet weg dat het overgrote deel van hen de studie met succes heeft voortgezet.




