Ook schoolleiders zien (toenemende) kansenongelijkheid in het onderwijs

30 november 2016

In een recent onderzoek van DUO Onderwijsonderzoek bevestigen schoolleiders en leraren in het vo dat sprake is van kansenongelijkheid in het onderwijs. Bijna de helft ziet op de eigen school dat met name kinderen van laagopgeleide ouders minder kansen krijgen dan kinderen van hoogopgeleide ouders, en een op de vijf respondenten stelt dat deze kansenongelijkheid de laatste jaren op de eigen school is opgelopen.

In het onderzoek zijn schoolleiders en bestuurders in oktober 2016 gevraagd naar hun opvattingen over de mate van kansengelijkheid op hun school en wat eventuele factoren zijn die ten grondslag liggen aan ongelijke kansen. Ook is gevraagd wat scholen zelf kunnen doen om leerlingen gelijke kansen te bieden. 738 docenten en 247 schoolleiders hebben aan het onderzoek deelgenomen.

Het onderzoek bevestigt dat er sprake is van kansenongelijkheid in het onderwijs; bijna de helft van de respondenten geeft aan dat kinderen op hun school niet allemaal dezelfde kansen krijgen. Over de vraag of de kansenongelijkheid de laatste jaren is toe- of afgenomen, heerst verdeeldheid. Naast de groep van bijna 20% die aangeeft dat er sprake is van toenemende kansenongelijkheid, geeft bijna de helft van de vo-schoolleiders (46%) en ruim een derde van de vo-docenten (37%) aan dat de kansenongelijkheid gelijk is gebleven. Opvallend is het hoge percentage vo-docenten dat aangeeft hier geen zicht op te hebben (20%).

De schoolleiders en docenten die aangeven dat de kansenongelijkheid is toegenomen, noemen als oorzaken onder andere de toenemende selectie aan de poort door afrekening van scholen op prestaties, minder beschikbare (financiële) middelen op school en een toename van de verschillen in sociaaleconomische achtergrond van leerlingen. Docenten en schoolleiders die zeggen dat er binnen hun organisatie niet of nauwelijks sprake is van ongelijke kansen, geven aan dit komt door een homogene populatie, extra begeleiding die door de school wordt geboden aan leerlingen die dat nodig hebben of omdat het een kleine school is, die het mogelijk maakt ‘passende begeleiding’ te bieden en ouders bij het onderwijs te betrekken.

De meerderheid van de respondenten (55%) is van mening dat het huidige politieke klimaat een rol speelt in het bestaan van ongelijke kansen in het onderwijs. Zij schrijven dit onder andere toe aan bezuinigingen die niet bijdragen aan verhoging van de kwaliteit van onderwijs, het inkopen van extra ondersteuning door ouders met hogere inkomens (zogenoemde schaduwonderwijs) en risicomijdend gedrag door scholen als resultaat van het beoordelen van scholen op prestaties. Ook de VO-raad heeft aandacht gevraagd voor de huidige beoordeling van de onderwijsresultaten en zit met de Onderwijsinspectie aan tafel om hierin verandering te brengen. Tijdens de Algemene Ledenvergadering van 24 november is uitgebreid gesproken over de waardering van het ‘maatschappelijk rendement’ van het onderwijs. 

Bijna een kwart van de respondenten (22%) ziet het volledig of grotendeels als taak van hun school om iets te doen aan kansenongelijkheid in het onderwijs. Ruim de helft (60%) is van mening dat scholen mede de verantwoordelijkheid dragen om iets te doen, maar dat ze het niet alleen kunnen. Ook de overheid, ouders en gemeenten spelen een rol in het aanpakken van de problematiek.

Om kinderen een gelijk(er) speelveld te bieden, zouden scholen beter kunnen aansluiten bij het niveau van de leerlingen en leerlingen kunnen uitdagen om vakken op een hoger niveau te volgen. Ook het invoeren van een tweejarige brugperiode/dakpanklassen voor met name ‘laatbloeiers’ en vergroting van bewustwording onder collega’s worden als oplossingsmogelijkheden genoemd. De VO-raad maakt zich er sterk voor dat scholen inzicht krijgen in de kansengelijkheid op schoolniveau en zet onverminderd in op meer maatwerk en flexibiliteit in het stelsel en – samen met ketenpartners – op het versoepelen van de overgangen in het stelsel.

Onderzoek CBS: inkomen ouders heeft invloed op loopbanen jongeren

Uit vandaag gepubliceerde cijfers van het CBS blijkt ook dat inkomen van ouders invloed heeft op de loopbanen van jongeren in het onderwijs. Leerlingen uit huishoudens met weinig of een hoog inkomen gaan vanuit vmbo-g/t ongeveer even vaak naar de havo of het mbo. Vmbo'ers uit rijke gezinnen maken vaker de overstap naar het hbo dan leerlingen uit arme gezinnen. 40% van de vmbo-g/t-leerlingen uit een gezin met een hoog inkomen studeert verder aan het hbo. Onder de scholieren met een laag inkomen ligt dat percentage op 32%.