Tweede Kamer: geen behoefte aan meer scholen maar vooral aan goede scholen
De Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen kent meerdere knelpunten, zo concludeerden veel politieke partijen tijdens het debat over stichting, sturing en toezicht in het funderend onderwijs op 14 oktober 2026. De meeste aandacht ging in het debat uit naar de stichting van nieuwe scholen.

Volgens een meerderheid van de fracties bevordert de wet concurrentie en segregatie en vergroot de wet het risico dat leerlingen terechtkomen op scholen van onvoldoende kwaliteit. Daarnaast zorgt het voor extra druk op het toch al schaarse onderwijspersoneel en de beschikbare onderwijshuisvesting. Dat laatste leidt met name voor gemeenten tot knelpunten. Het vermeende segregatie-effect blijkt volgens de staatssecretaris niet uit de eerste evaluatie van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen; de volgende evaluatie is beschikbaar in 2030. De staatssecretaris onderzoekt suggesties voor verbetering van de stichtingsprocedure en neemt deze mogelijk mee in een voorstel voor wetswijziging. Wanneer dit voorstel gereed is hangt af van de inbreng tijdens het tweeminutendebat hierover.
In aanloop naar het debat heeft de VO-raad aandacht gevraagd voor een aantal zaken in een brief aan de Kamercommissie. Naast aandacht voor onze eigen inzet op accreditatie en aandachtspunten bij de stichting van scholen, wijzen we op de ongewenste effecten van financiële sancties door de inspectie. Daarbij hebben we de vraag opgeworpen voor welk probleem financiële sancties een oplossing zijn. Ook enkele fracties waaronder de SGP en PRO, vroegen zich af of het verminderen van bekostiging wel een effectief instrument is om de onderwijskwaliteit te verbeteren. De staatssecretaris ziet dat het in de meeste gevallen niet nodig is om in te zetten, maar dat het in sommige gevallen wel kan helpen het gevoel van urgentie te vergroten om de onderwijskwaliteit te verbeteren.
Verschillende fracties verwezen naar het rondetafelgesprek met wetenschappers, waarin kritische kanttekeningen werden geplaatst bij zowel het aangekondigde instrument van gerichte bekostiging, als de complexiteit van het huidige onderwijsbestel. De staatssecretaris ziet gerichte bekostiging juist als een versimpeling ten opzichte van een aantal subsidies, maar spreekt hier op een later moment uitgebreider met de Kamer over. De VO-raad pleit ervoor dat gerichte bekostiging gebruikt wordt om nieuwe geldstromen tijdelijk beter te kunnen monitoren alvorens ze in de basisbekostiging komen. In het aangepaste voorstel blijft het onzeker of middelen ook daadwerkelijk structureel bij de scholen terecht komen.
Naar aanleiding van vragen over eisen aan bestuurders verwijst de staatssecretaris naar het wetsvoorstel Bevordering bestuurlijke kwaliteit en integriteit en benadrukt het belang van betrouwbare, goede en integere bestuurders. Tielen neemt de in het debat genoemde voorbeelden (voorbeeld woningbouwcoöperaties door Pro en voorbeeld Denemarken door JA21) mee.