WNRA: Gevolgen voor tijdelijke contracten in het openbaar onderwijs (update)

21 maart 2019

Op 1 januari 2020 treedt de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (WNRA) in werking, die belangrijke gevolgen heeft voor het openbaar onderwijs. Vanaf dat moment wordt de (eenzijdige) aanstelling van werknemers in het openbaar onderwijs van rechtswege omgezet in een (tweezijdige) arbeidsovereenkomst. Dit brengt onder andere met zich mee dat de regels over tijdelijke contracten wijzigen. Voor openbare schoolbesturen is het van belang om kennis te nemen van deze wijzigingen, zodat zij niet voor verrassingen komen te staan. (update onderaan de pagina)

Op dit moment zijn de regels over tijdelijke contracten in het openbaar onderwijs beschreven in hoofdstuk 9.b van de CAO VO 2018-2019. Per 1 januari 2020 zijn deze regels niet meer van toepassing en zal voor openbaar en bijzonder onderwijs dezelfde ketenregeling gelden. De CAO VO zal hierop worden aangepast. Hoewel sociale partners nog moeten spreken over de precieze aanpassingen in de CAO VO, is het op dit moment raadzaam om bij de formatie voor het komende schooljaar rekening te houden met de huidige bepalingen over tijdelijke contracten voor het bijzonder onderwijs. Deze bepalingen zijn gebaseerd op de wettelijke ketenregeling van het Burgerlijk Wetboek, met een aantal uitzonderingen.

Nieuwe regels inzake de ketenregeling

De wettelijke ketenregeling in het private arbeidsrecht is vastgelegd in artikel 7:668a BW. Hierin is opgenomen dat tijdelijke arbeidsovereenkomsten zijn toegestaan als er niet meer dan drie contracten in 24 maanden worden overeengekomen. Wordt het aantal contracten (3) of de duur (24 maanden) overschreden, dan ontstaat een contract voor onbepaalde tijd. Als tussen twee tijdelijke contracten een periode van meer dan zes maanden zit, dan ontstaat een zogenaamde ‘nieuwe keten’.

De wettelijke ketenregeling wordt voor het voortgezet onderwijs nader uitgewerkt in hoofdstuk 9.a van de CAO VO. Hierin is opgenomen dat een contract in beginsel voor onbepaalde tijd wordt aangegaan, maar dat in bepaalde gevallen een tijdelijk contract gegeven kan worden. De belangrijkste (maar niet enige) gronden voor tijdelijke contracten in dit hoofdstuk zijn:

  • Dienstverband voor bepaalde tijd bij wijze van proef, met uitzicht op een vast contract. De duur is ten hoogste twaalf maanden met een mogelijke verlenging van nogmaals ten hoogste 12 maanden;
  • Vervanging, telkens voor ten hoogste één jaar, maximaal drie contracten in twee jaar;
  • Tijdelijke vacature, telkens voor ten hoogste één jaar, maximaal drie contracten in twee jaar;
  • Dienstverband onbevoegde leraar, maximaal vijf contracten in vier jaar;
  • Dienstverband leraar ISK/EOA, maximaal zes contracten in 36 maanden.


Geen overgangsrecht ten aanzien van de ketenregeling

De WNRA bevat geen overgangsrecht ten aanzien van de ketenregeling. Dat betekent dat op 1 januari 2020 direct de privaatrechtelijke regels (die nu dus al gelden voor het bijzonder onderwijs) over tijdelijke contracten van toepassing zijn. Het is belangrijk om hiermee rekening te houden, omdat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen de regels over tijdelijke contracten in het openbaar onderwijs en de regels in het bijzonder onderwijs. Als een schoolbestuur hiermee geen rekening houdt, kan op 1 januari 2020 van rechtswege een vast contract ontstaan, terwijl partijen dit bij aanvang van het dienstverband niet hebben beoogd.

Voorbeeld:

Per 1 september 2019 wordt met een werknemer een derde contract in drie jaar overeengekomen, met een einddatum van 1 maart 2020, bijvoorbeeld wegens vervanging/tijdelijke vacature. Op 1 januari 2020 ontstaat direct van rechtswege een vast contract, omdat op dat moment de (privaatrechtelijke) maximale termijn van 24 maanden wordt overschreden.

Voorbeeld:

Per 1 december wordt met een werknemer wegens vervanging een vierde contract in twee jaar overeengekomen. Einddatum van het dienstverband is 1 februari 2020. Op 1 januari 2020 ontstaat direct van rechtswege een vast contract, omdat op dat moment het (privaatrechtelijke) maximaal aantal contracten van drie wordt overschreden.

Recente wijziging van de (aanpassingswet) WNRA

Tot voor kort was op bepaalde punten nog onzeker wat de precieze gevolgen waren van de automatische omzetting van de aanstelling naar een arbeidsovereenkomst. Zo was er bijvoorbeeld discussie over of de aanstellingen in de periode vóór 1 januari 2020 dienden mee te tellen bij de berekening van de transitievergoeding. Een recente nota van wijziging heeft hierin meer duidelijkheid verschaft. In de wet wordt het volgende opgenomen:

Met ingang van het tijdstip van de inwerkingtreding van artikel I van de Wet normalisering ambtenaren worden aanstellingen verleend voorafgaand aan de aanstelling, bedoeld in het eerste lid (= de aanstelling die van rechtswege wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst), als arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht beschouwd.

Eerdere aanstellingen worden daarmee als arbeidsovereenkomst beschouwd. Deze nadere duiding is van belang voor de vaststelling van het recht op transitievergoeding, de toepassing van de ketenregeling en de berekening van de opzegtermijn.

Op 28 mei 2019 heeft de Eerste Kamer de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) aangenomen. Deze wet treedt per 1 januari 2020 in werking en wijzigt het Burgerlijk Wetboek. In de WAB is onder andere geregeld dat de opeenvolging van tijdelijke contracten (de ketenbepaling) wordt verruimd. Nu is het wettelijk mogelijk om aansluitend drie contracten in twee jaar te aan te gaan. Dit wordt drie jaar. Deze wijziging heeft geen directe werking op de CAO VO, in die zin dat het niet zo is dat daar waar – als het gaat om tijdelijke contracten - in de CAO VO nu gesproken wordt over twee jaar, vanaf 1 januari a.s. drie jaar gelezen mag worden. Sociale partners zullen hierover dus moeten spreken in het cao-overleg.
Let op: Door de nota van wijzigingen wordt dus – als er sprake is van een omzetting van de aanstelling naar een arbeidsovereenkomst op 1 januari 2020 - ook de ketenbepaling van toepassing op de periode daarvoor. Dat brengt met zich mee dat ook de privaatrechtelijke regel dat de keten van tijdelijke arbeidsovereenkomsten pas wordt doorbroken door een tussenperiode van zes maanden, ook van toepassing is op de periode voor 1 januari 2020 (en dus niet drie maanden, zoals voorheen het geval was). Als er dus bijvoorbeeld in 2019 tussen twee tijdelijke arbeidsovereenkomsten door een periode van drie of vier maanden zit, dan is de keten niet doorbroken.