Kwetsbare overgangen raken studiesucces

30 juni 2016

VO-scholen en instellingen voor het vervolgonderwijs zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de doorstroom van leerlingen. Verschillende onderwijssectoren in ons land zijn echter nog veel met hun eigen sector bezig. Hierdoor zijn de overgangen tussen sectoren in ons onderwijssysteem nog buitengewoon kwetsbaar.

Elke overgang kan leiden tot een inefficiënte schoolloopbaan en niet-optimale onderwijsresultaten. Steeds meer vo-scholen zien deze kwetsbaarheid en de opgave die dit met zich meebrengt. Succes van de leerling valt te meten aan het succes in het vervolgonderwijs, zeggen de scholen. Maar hier zit ook de uitdaging: wat is dat succes van de oud-leerling?

Op de agenda

In het sectorakkoord vo zijn heldere ambities geformuleerd om de aansluiting naar het vervolgonderwijs te verbeteren. De onderwijsinspectie stimuleert in het concept onderzoekskader 2017 met de indicator ‘vervolgsucces’ het gesprek over de bestemming van de leerling na het verlaten van de school. Deze is bekend bij de school en voldoet aan de verwachtingen van de school. Het gesprek gaat over de opdracht omtrent ‘vervolgsucces’ dat de school in het schoolplan heeft opgenomen en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan deze opdracht. Doorstroominformatie staat wat dat betreft goed op de agenda. Maar hoe ga je er als school daadwerkelijk mee aan de slag?

Onderbuikgevoel

Er is veel doorstroominformatie voorhanden. Vaak is echter onbekend waar deze informatie te vinden is. Scholen geven ook aan dat zij het lastig vinden om de informatie te interpreteren en conclusies te verbinden aan de informatie. Dit resulteert vaak in het feit dat doorstroombeleid wordt vormgegeven op basis van onderbuikgevoel. Het risico hiervan is dat je als school interventies uitvoert die niet passen bij de uitdagingen waar leerlingen in de praktijk voor staan.

Groeiende belangstelling

Steeds meer instellingen van verschillende sectoren werken samen en er is sprake van een groeiende belangstelling voor de terugkoppeling en het gebruik van doorstroominformatie. Een belangrijke sleutel voor het verbeteren van de doorstroom van de ene onderwijssector naar de andere zit in het delen van informatie en het voeren van het gesprek over deze informatie. De doorstroominformatie roept namelijk veel relevante vragen op. Deze vragen helpen vo-scholen en instellingen voor het vervolgonderwijs om met elkaar het gesprek aan te gaan over zaken als voorbereiding, maar ook vakinhoudelijke aansluiting. De VO-raad heeft deze vragen binnen de pilot Optimaal werken met doorstroomdata opgepakt.

Pilot Optimaal werken met doorstroomdata

Samen met 25 vo-scholen en 15 instellingen voor vervolgonderwijs is verkend hoe je als vo-school data kunt benutten om het doorstroombeleid te verbeteren. De scholen hebben zich rond de zomer van 2015 aangemeld met een eigen onderzoeksvraag. Vaak was dit een implementatievraag, omdat men direct in de actiestand stond om een interventie uit te voeren. Procesbegeleiders hebben de scholen geholpen om deze vragen te herformuleren in onderzoeksvragen. 

Hoe was de pilot Optimaal werken met doorstroominformatie opgebouwd?

De pilot bestond uit drie werkbijeenkomsten. Per school deden minimaal twee personen mee, waaronder een vertegenwoordiger van het management, en een gesprekspartner uit het vervolgonderwijs was aangehaakt. Tijdens de eerste regionale werkbijeenkomst stond de onderzoeksvraag en het opstellen van het werkplan centraal. Tijdens de tweede bijeenkomst stond de analyse centraal. Door de bijeenkomst op school te organiseren konden veel meer collega’s aanwezig zijn. In de laatste bijeenkomst werd stilgestaan bij de lessen en borging van doorstroomdata binnen de school.

Welke databronnen hebben de scholen gebruikt?

De scholen hebben de volgen informatieproducten  of datasets gebruikt: Managementvenster doorstroom in Vensters vo, stroombestanden open onderwijsdata van DUO en terugkoppelrapportages van het vervolgonderwijs of regionale samenwerkingsverbanden. Kwalitatieve databronnen: leerling-tevredenheidsmetingen (eigen onderzoek of externe partijen) en interviews met oud-leerlingen.

 

Onderzoeksvraag

Pas als je als school weet hoe het gaat met de oud-leerling en ziet waar bepaalde knelpunten of uitdagingen liggen kun je nadenken over de interventies die nodig zijn om deze op te lossen. De eerste uitdaging is daarom het in kaart brengen van je oud-leerlingen. Hoe succesvol zijn de leerlingen? En hoe definieer je als school dat succes? Een onderzoeksvraag helpt scholen bij het bepalen van de gegevens die zij nodig hebben om hun vraag te beantwoorden. De pilotscholen ervaren dit als zeer nuttig omdat je zo vanuit de behoefte van de school werkt en het helpt te focussen in de databehoefte.

Waarde gesprek

Scholen zijn verbaasd over de hoeveelheid informatie die voorhanden is. De pilot heeft de scholen geleerd de data te interpreteren en te verwerken tot stuurinformatie. Voorafgaand aan de pilot dachten scholen daarbij met name aan de waarde van informatieproducten op basis van ‘big data’ (DUO stroombestanden, managementvensters doorstroom), maar nu zien zij ook veel meer de waarde van het gesprek met de oud-leerlingen. Verschillende scholen geven aan meer te gaan investeren in hun alumnibeleid.

Verantwoordelijkheid hele school

Uiteraard neemt de decaan een belangrijke rol in. Maar wie heb je nodig bij het doorlopen van de onderzoekscyclus? Deelnemers vinden de koppeling met het management van de school cruciaal. Medewerkers – bijvoorbeeld decanen –  hebben de koppeling nodig om conclusies en interventie voorstellen te vertalen in schoolbeleid. Daarnaast is het goed om binnen de school de doorstroomdata breed bespreekbaar te maken. Hierdoor zien alle medewerkers wat er met de oud-leerlingen in het vervolgonderwijs gebeurd. Veel scholen willen het gesprek over de doorstroom jaarlijks meenemen in hun beleidscyclus.

Vervolgonderwijs

De rapportages die het vervolgonderwijs levert zijn soms lastig te vergelijken. In de rapportages worden verschillende definities gebruikt en de rapportages leveren geen dekkend overzicht. Scholen geven ook aan de volgende indicatoren te missen in de beschikbare data:

  • propedeuse resultaat
  • bindend studieadvies
  • studievoortgang
  • zicht op meer achtergrond informatie ten aanzien van redenen voor uitval en switch
     

Scholen willen het vervolgonderwijs blijven betrekken bij de gesprekken over de informatie. Niet meer op basis van onderbuikgevoel of over het – bijvoorbeeld – bezoeken van open dagen, maar de diepte in over specifieke knelpunten voor bepaalde groepen leerlingen. Je regionaal clusteren als vo-scholen maakt dat je een meer interessante gesprekspartner voor het vervolgonderwijs bent.

Successen vieren

Dankzij de pilot zijn sommige scholen ook bewuster geworden van het feit dat ze successen moeten vieren. Op basis van de data blijkt soms dat een school het gewoon erg goed doet. Deze scholen gaan nu kijken hoe ze hun sterke punten meer voor het voetlicht kunnen brengen. En op de vraag waarom meer scholen met doorstroomdata aan de slag moeten verwoordt één teamleider dit als volgt:

Je leidt als school niet alleen op voor het vo-diploma. Je wilt leerlingen zo goed mogelijk voorbereiden op het vervolg. Dat is je maatschappelijke opdracht. Je moet aan aftersales werken.

Wat is nu succes in het vervolgonderwijs?

Scholen kijken verschillend naar het succes van de oud-leerling. Sommige scholen kijken vooral naar uitval of switch in het vervolgonderwijs. Terwijl andere scholen succes definiëren in het aantal behaalde studiepunten of het tempo waarop de leerling de vervolgopleiding doorloopt. Is er sprake van studievertraging? Een andere groep scholen ziet succes meer in termen van de mate waarin oud-leerlingen zich goed voorbereid voelden, de mate waarin het onderwijs op elkaar aansloot en of de oud-leerlingen over de juiste competenties beschikken om zich te kunnen redden in het vervolgonderwijs. Vaak gaat het om competenties als kunnen plannen, zelfstandig kunnen werken (of zelfredzaamheid) en kritisch nadenken. Het is dus belangrijk om als school te expliciteren wat je verstaat onder succes. Dit helpt niet alleen bij het bepalen van je interventies, maar geeft ook focus aan de gesprekken die je met collega’s en het vervolgonderwijs voert.

Zelf aan de slag?

Wil jij zelf aan de slag met doorstroominformatie lees dan de handreiking ‘Werken met doorstroomdata’ aan. De handreiking is opgesteld op basis van de ervaringen die opgedaan zijn binnen de pilot.

Dit artikel is ook in Decazine in juni 2016 verschenen