28 februari 2018

Hoe biedt u zo veel mogelijk leerlingen een ononderbroken leerroute en voorkomt u dat leerlingen onnodig blijven zitten? In 2017 hebben 12 scholen in twee leernetwerken gewerkt aan het voorkomen van zittenblijven. In vijf bijeenkomsten bespraken schoolleiders manieren die bijdragen aan het voorkomen van zittenblijven. Informatie uitwisselen, ervaringen delen, conclusies trekken, expertise inwinnen en stappen zetten zijn de basisingrediënten van deze leernetwerken. Wat kunt u leren van de opbrengsten?

In de leernetwerken werd duidelijk dat de maatregelen van de deelnemende scholen ingedeeld kunnen worden in drie typen:

  • Preventieve maatregelen: Deze zet de school in om de kans op zittenblijven aan de voorkant zo veel mogelijk te verkleinen. Deze maatregelen zijn in principe gericht op alle leerlingen.
  • Interventies: Deze maatregelen zet de school in om specifieke leerlingen die dreigen te blijven zitten, toch te laten doorstromen naar een volgend leerjaar. Deze maatregelen zijn gericht op specifieke leerlingen die dreigen te blijven zitten.
  • Curatieve maatregelen: Deze maatregelen zet de school in om leerlingen die zijn blijven zitten, hun leertijd zo nuttig mogelijk te laten besteden. Deze maatregelen zijn gericht op specifieke leerlingen die zijn blijven zitten.


Preventieve maatregelen

Preventieve maatregelen zijn algemene maatregelen die de school inzet om de kans op een ononderbroken leerroute voor zo veel mogelijk leerlingen te optimaliseren. Voorbeelden daarvan zijn:

  • Datateam: Vanuit de visie ‘bezint eer gij begint’ heeft een aantal scholen gekozen voor het inrichten van een datateam. Kern van die aanpak is om met behulp van analyse van de cijfers uit bijvoorbeeld Magister of SOM allereerst te zorgen dat er een goed beeld gevormd wordt van de aard, omvang en oorzaken van het zittenblijven.
Lees meer over datateams

Een datateam maakt het kiezen van de acties die het beste passen bij het vraagstuk zoals zich dat voordoet op uw school beter mogelijk. “Je kunt je energie als school maar één keer ‘uitgeven'”, aldus een schoolleider. Gestart wordt bijvoorbeeld met het in kaart brengen van de frequentie van zittenblijven over de jaren heen. Vervolgens wordt nagegaan of er bepaalde ‘struikel-leerjaren’ in de onderbouw of juist de bovenbouw zijn die opvallen omdat relatief veel leerlingen daar blijven zitten. Ook wordt gekeken naar de invloed van bepaalde vakken, of de samenhang met achtergrondkenmerken van leerlingen.

Een datateam bestaat uit een aantal docenten, de kwaliteitsmedewerker en een lid van de schoolleiding en wordt extern begeleid in bijvoorbeeld zes bijeenkomsten van twee uur. De docenten in het datateam hebben zelf gekozen voor deelname en worden gefaciliteerd met taakuren. Kern van de aanpak, als die ingezet wordt ten behoeve van het tegengaan van zittenblijven, is dat de omvang en oorzaken van zittenblijven opgespoord worden met behulp van analyse van de cijfers beschikbaar in Magister of SOM. Ieder lid (of groepje) formuleert een eigen (data)onderzoeksvraag en voert het onderzoek uit. Onderzoeksvragen zijn dan bijvoorbeeld: Wat is het percentage zittenblijvers in de verschillende leerjaren en afdelingen? In hoeverre hangt dit beeld samen met bepaalde leerlingfactoren (achtergrond, leeftijd, cito score, basisschooladvies, verzuim etc.)? En in hoeverre is er samenhang met schoolfactoren (resultaten in bepaalde vakken, bij bepaalde collega’s, etc.)? Door deze aanpak te volgen, mikken de scholen erop ‘het lek boven water’ te krijgen. Doordat men dus goed in kaart heeft gebracht waar het probleem precies zit en welke oorzaken eraan bijdragen, kan men ook beter de interventies bepalen waarmee gewerkt gaat worden aan het oplossen ervan.

  • Toetsbeleid onder de loep nemen: “De kunst is om de intrinsieke motivatie van leerlingen optimaal aan te wakkeren zodat hun eigen wil om te leren groeit en toetsing vooral een middel is om het leren te stimuleren”, aldus een van de scholen. De deelnemers aan de leernetwerken waren eensgezind over de meerwaarde van het nader bekijken van het eigen toetsbeleid. Relevante vragen zijn dan: Is het nodig om zo veel te toetsen? Zetten we de toetsen op een juiste manier in?
Lees meer over toetsbeleid

Een aantal schoolleiders constateert een ‘toetsreflex’ op de eigen school. Vanuit de drang om goede voorspellingen te doen over het niveau en het tempo dat een leerling aankan, schieten de school en docent soms in een ‘toetskramp’, volgens een van de schoolleiders. “Wij hebben dat voor de aardigheid eens opgeteld en kwamen tot 135 toetsen en SO’s in een bepaald leerjaar”. Natuurlijk is het nodig om periodiek vast te stellen of een leerling een bepaald niveau beheerst, maar dat kan met aanzienlijk minder toetsen. Onderdelen van een weloverwogen en strategisch toetsbeleid zijn minder summatieve toetsen, meer formatieve toetsen, regels stellen over aantal toetsen per week en per dag (bijv. 4 per week en 1 per dag), kwaliteitscriteria aan toetsing stellen en handhaven (bijvoorbeeld RTTI-aanpak), en een uniform cijferbeleid. Idealiter is het toetsbeleid een deel van de pedagogisch-didactische visie van de school. De kunst is om de intrinsieke motivatie van leerlingen optimaal aan te wakkeren zodat hun eigen wil om te leren groeit en toetsing vooral een middel is om het leren te stimuleren. Het idee hierachter is dat verhoging van de kwaliteit van het toetsbeleid samenhangt met kwaliteit van de besluitvorming over doorstroom of blijven zitten.

  • Kwaliteit leerlingbesprekingen: Een aantal scholen werkt in het kader van het voorkomen van onnodig zittenblijven expliciet aan kwaliteitsverbetering van de leerlingbesprekingen. De essentiële component daarvan is een analyse en krachtig gebruik van de gegevens uit het leerlingvolgsysteem.
Lees meer over leerlingbesprekingen

De leerlingbespreking hoort niet uitsluitend over de ontwikkeling van een bepaalde ‘bespreek-leerling’ te gaan, maar ook over bijvoorbeeld diens toekomstwensen. Ook nemen sommige scholen mee bij een besluit om een leerling wel of niet over te laten gaan, wat de effecten waren van soortgelijke leerlingen in het verleden. Wat was de kwaliteit van deze besluiten, hebben deze (in latere jaren) geleid tot doorstroom, blijven zitten, afstroom of keuze voor een bepaald vak of profiel (zie ook de datateam-aanpak)? “Wij hebben de leerlingbespreking grondig aangepast”, meldde een schoolleider. Alle vakdocenten leveren hun feedback over de leerling periodiek aan bij de mentor. De mentor reflecteert zeer regelmatig met de leerling over de voortgang, gebruikt daarbij Magister en de input van de collega-vakdocenten. Twee of drie keer per jaar worden daar bovendien ouders bij betrokken zodat ook zij voeling hebben met de ontwikkeling van hun kind. De tienminutengesprekken met vakdocenten zijn afgeschaft.

  • Herijken doorstroombeleid: Twee scholen uit de leernetwerken hebben zittenblijven afgeschaft. De ene school kiest voor afstroom omdat men meer zekerheid wenst dat een bepaalde leerling de eindstreep haalt. Bij de andere school is de ‘escape’ van zittenblijven gewoonweg niet meer toegankelijk voor leerlingen en docenten. Als ergens in het jaar duidelijk is dat een bepaalde leerling in de ‘risicozone’ zit, moet er gewoon een tandje bij; de leerling en de docent moeten dan met extra of andere leeractiviteiten zorgen voor voldoende ontwikkeling. 
     
  • Vervroegde profielkeuze in havo 3: Een andere school overweegt, in het kader van het voorkomen van zittenblijven, een experiment te starten met een enigszins vervroegde profielkeuze voor bepaalde leerlingen in havo 3. Na de eerste toetsperiode zou het, onder bepaalde voorwaarden, mogelijk zijn om voor te sorteren op de profielkeuze.
Lees meer over vervroegde profielkeuze

Een ‘risicoleerling’ zou een bepaald vak alvast kunnen laten ‘vallen’ en meer tijd besteden aan een ander ’profielvak'. Men is zich ervan bewust dat een te vroege profielkeuze juist ook een valkuil kan zijn en dat rekening gehouden moet worden met wettelijke kaders. Zie ook dit artikel: https://www.vo-raad.nl/artikelen/portret-maatwerk-heemgaard.

  • Voorkomen van zittenblijven inbedden in de schoolvisie: Het ontwikkelen van een sterke schoolvisie, waarvan het voorkomen van zittenblijven een integraal onderdeel is, is volgens een van de scholen een zeer krachtig middel.
Lees meer over de schoolvisie

De visie van een school uit het leernetwerk is bijvoorbeeld gericht op eigenaarschap van zowel leerlingen als docenten. “Wij vinden het belangrijk dat leerlingen zelf de regie nemen over hun eigen leervoortgang en de collega’s over de manier waarop ze bijdragen aan die leervoortgang”. Om deze visie handen en voeten te geven, onderneemt de school verschillende zaken. Zo participeert de school in een pilot van VO-content waarin een digitaal portfolio ontwikkeld wordt. Leerlingen stellen een digitaal persoonlijk leerplan op en scoren zichzelf met behulp van rubrics op de niveaus beginner-gevorderd-expert. Daarnaast experimenteert deze school in vwo 4-5 met een aanpak waarin de leerlingen en docenten een derde van de lestijd niet meer klassikaal hoeven te volgen/aan te bieden. Het doel daarvan is te stimuleren dat docenten hun professionele ruimte kunnen gebruiken om andere lesvormen te organiseren (bijvoorbeeld colleges over een bepaald onderwerp).

Interventies gericht op risicoleerlingen

Voorbeelden van interventies die de deelnemers inzetten om specifieke leerlingen die dreigen te blijven zitten, toch te laten doorstromen, zijn:

  • Ken je pappenheimers: deelnemers aan de leerneetwerken zijn het erover eens dat het belangrijk is om de risicoleerlingen goed in het vizier te krijgen. Daarbij zijn zowel de harde gegevens uit het leerlingvolgsysteem nodig, als de ‘zachte signalen’ van collega’s. Mede met dat doel traint een van de deelnemers het hele team in het voeren van goede leercoachgesprekken met de leerlingen.
  • Zomer- en lentescholen: De meeste scholen uit de leernetwerken hebben ervaring met een lente- of zomerschool. Met een goede voorbereiding en een goede inbedding in de aanpak van de school, heeft een aantal deelnemers hier goede ervaringen mee opgedaan. “Er zijn toch weer 12 risicoleerlingen bij ons op school overgegaan, en dat is winst”, aldus een van de deelnemers. Bekijk voor meer informatie de site www.zomerscholenvo.nl.
  • Na schooltijd: Een van de deelnemers aan het leernetwerk heeft een pilot met huiswerkklassen opgeschaald naar de hele school. De klassen staan onder leiding van een leerkracht die hiervoor taakuren krijgt. In deze klassen maken leerlingen huiswerk onder leiding van tutors, dit zijn oudere leerlingen van school.
  • Maatwerkbudget(je): een van de deelnemers heeft een bescheiden, maar specifiek budget beschikbaar voor het financieren van maatwerk voor specifieke leerlingen die dreigen te doubleren.


Curatieve maatregelen

“Een leerling blijft nooit op alle vakken zitten. Als we ervoor kunnen zorgen dat de leerling op zijn ‘goede’ vakken gewoon verder kan, hoeft zittenblijven niet per se een verloren jaar te zijn.” Ondanks dat iedereen in de leernetwerken deze visie ondersteunt, zijn er toch scholen die geen expliciete acties ondernemen voor deze doelgroep leerlingen. De structuur van de school in de vorm van het jaarklassensysteem, de roostering, beschikbaarheid van docenten, en de telkens relatief kleine doelgroep – die bovendien wisselt van samenstelling – maakt dit voor scholen vaak te lastig. De beweging naar meer maatwerk en gepersonaliseerd leren, onder andere ondersteund door meer mogelijkheden met onderwijstijd, zal er volgens de scholen voor moeten zorgen dat ook deze doelgroep meer aan zijn trekken komt.

Ten slotte

Elke school en elke leerling zijn net even anders. Dat betekent dat er geen panklaar recept is voor het voorkomen van zittenblijven. Wel bestaan er werkzame ingrediënten voor een goede mix van maatregelen. Om die werkzame mix te vinden, zijn leiderschap en onderwijsvisie enorm belangrijk, aldus een van de deelnemers aan het leernetwerk. "Jij als schoolleider bent degene die het gesprek over de onderwijsvisie aanzwengelt en ervoor zorgt dat de collega’s voldoende toegerust zijn om de visie herkenbare handen en voeten te geven in het onderwijs.”