Uitspraak ontslag na 2 jaar ziekte

07 september 2016

Recentelijk deed de Commissie van Beroep (CvB) uitspraak over een zaak waarbij de arbeidsovereenkomst van een werkneemster na 2 jaar arbeidsongeschiktheid door de werkgever werd opgezegd. De werkneemster ging tegen de beslissing in beroep.

Zodra een werknemer ziek wordt, geldt voor de werkgever een opzegverbod van 2 jaar. Gedurende deze 2 jaar moeten zowel de werkgever als de werknemer zich richten op de re-integratie van de werknemer en kan de arbeidsovereenkomst niet worden beëindigd. De bedoeling van het opzegverbod is onder meer om de werknemer de mogelijkheid te bieden om in alle rust en met behoud van zijn arbeidsovereenkomst en zonder grote druk weer te herstellen. Daarnaast is een werknemer in sommige gevallen minder goed in staat om tijdens zijn ziekte verweer te voeren. Zodra de periode van 2 jaar arbeidsongeschiktheid verstreken is, is het opzegverbod niet meer van toepassing en heeft een werkgever in beginsel de mogelijkheid om de werknemer te ontslaan. Er moet dan echter wel aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. 

Uitspraak Commissie van Beroep

In deze zaak ging het om een werkneemster, wiens arbeidsovereenkomst na 2 jaar arbeidsongeschiktheid door de werkgever werd opgezegd. De werkneemster ging tegen de beslissing van de werkgever in beroep en bepleitte dat geen sprake was van 2 jaar arbeidsongeschiktheid, omdat zij volgens het UWV voor 4 uur per dag en voor 20 uur per week geschikt werd geacht. Daarnaast stelt de werkneemster dat uit geen van de onderzoeken blijkt dat herstel binnen 6 maanden niet te verwachten is. Tot slot is de grief van werkneemster dat de werkgever geen zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar herplaatsingsmogelijkheden.
 
De werkgever kan zich niet vinden in de argumenten van de werkneemster en stelt dat zij na de ziekmelding onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest voor de uitvoering van de functie van docent. De school zegt wel degelijk te hebben onderzocht of er binnen het functiebouwwerk functies zijn die passend zijn voor de werkneemster, maar dat deze niet voorhanden waren.
 
De Commissie van Beroep overweegt hierop als volgt. Een werknemer kan ontslagen worden, indien sprake is van blijvende arbeidsongeschiktheid op grond van ziekten of gebreken. Hiervoor gelden de volgende eisen:
  • De ongeschiktheid moet 2 jaar hebben geduurd
  • Er valt geen herstel te verwachten binnen 6 maanden
  • Er zijn geen reële herplaatsingsmogelijkheden bij de werkgever 


Op grond van de CAO dient de werkgever aansluitend eenzelfde dan wel een gelijkwaardige arbeidsovereenkomst met de werknemer aan te gaan, in een betrekkingsomvang die overeen komt met zijn restvaliditeit. Dit is slechts anders als dit redelijkerwijs niet van de werkgever te vergen valt.

De Commissie is van mening dat de werkneemster ten tijde van de opzegging meer dan 2 jaar arbeidsongeschikt was. Dat zij volgens het UWV voor een aantal uren per week beschikbaar werd geacht, houdt geen herstelmelding in. Door het toekennen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering mocht de werkgever aannemen dat herstel voor de eigen functie niet binnen 6 maanden te verwachten was.
 
De Commissie is echter van mening dat de school onvoldoende inspanningen heeft verricht om de werkneemster in een andere functie te herplaatsen. Uit de rapportages van de arbeidsdeskundige en de verzekeringsarts is niet zonder meer vast te stellen dat de werkneemster niet meer bij de school zou kunnen functioneren. De inspanningen van de werkgever, voor zover deze waren gericht op het zoeken naar een functie anders dan een docentenfunctie, bleken te zijn beperkt tot het opstellen van een lijst, waarbij het schaalverschil met de eigen functie leidend was voor de vraag of er passende functies voorhanden waren. Daarnaast heeft de rector de collega-rectoren per e-mail gevraagd of er bij hen een (administratieve) functie voor de werknemer aanwezig was. 
 
Het had op de weg van de werkgever gelegen om het centraal bureau een leidende rol toe te kennen bij het zoeken naar een andere passende functie voor de werkneemster. Dit lag, gezien de omvang van de organisatie en het feit dat alle personeelsleden bij één werkgever in dienst zijn, voor de hand. De inspanningen van de werkgever – het opstellen van een lijst met passende functies en een enkel e-mailverzoek van de rector aan collega’s – zijn naar het oordeel van de Commissie te beperkt en te passief. Het beroep van de werkneemster wordt dan ook gegrond verklaard.