April van Loenen: ‘Van bloemenwinkel naar bestuurstafel’

Wie zitten er in de Commissie Code Goed Onderwijsbestuur? En wat is hun motivatie? Deze keer stelt April van Loenen zich voor. Zij is voorzitter van het College van Bestuur bij Dunamare Onderwijs.

“Ik groeide op in een ondernemersgezin: mijn ouders hadden bloemenwinkels. Mijn loopbaan begon ik met een eigen bloemenwinkel. Toen ik rond mijn zesentwintigste moeder was van twee jonge kinderen, besloot ik het roer om te gooien. Ik dacht dat werken in het onderwijs misschien beter te combineren zou zijn met mijn gezin. Dat bleek een misvatting – je neemt jezelf en je arbeidsethos overal mee naartoe – maar het onderwijs liet me niet meer los.

Bewust kiezen voor het vmbo

Het onderwijs ben ik ingestapt als docent, op de school waar ik zelf ooit als mbo-leerling had gezeten: een vmbo-mbo-school midden in Rotterdam-Krooswijk. Die keuze was heel bewust. Ik voelde me aangetrokken tot een doelgroep leerlingen voor wie leren niet altijd vanzelfsprekend is. Leerlingen die vaak slim zijn, maar niet per se gemaakt voor stilzitten en alleen theorie.

Het maakte mij eigenlijk niet zo veel uit welk vak ik gaf. Ik had bevoegdheden in onder andere biologie en bloemschikken, maar gaf net zo goed wiskunde en Engels aan basis- en kaderleerlingen als dat nodig was. Het ging mij om de verbinding: samen kijken wat een leerling nodig heeft om de dag door te komen en stappen te zetten.

Stap voor stap meer verantwoordelijkheid

Vanuit het lesgeven ben ik steeds meer rollen gaan vervullen: decaan, examensecretaris, roostermaker, teamleider. Uiteindelijk rolde ik door naar een directeurfunctie, daarna directeur-bestuurder, algemeen directeur en uiteindelijk lid van het College van Bestuur.

Wat ik merkte, is dat met meer verantwoordelijkheid ook meer invloed komt. Niet alleen binnen je eigen school of bestuur, maar ook landelijk. Je zit vaker aan tafels waar gesproken wordt over hoe er naar onderwijs wordt gekeken en hoe beleid wordt gemaakt. Dat vond en vind ik belangrijk. Niet alleen voor mijn eigen organisatie, maar voor de sector als geheel.

Ik geloof dat we als onderwijsbesturen veel sterker kunnen zijn in het afleggen van rekenschap, op een manier die professioneel en transparant is. Dat vraagt om dialoog, zelfreflectie en het nakomen van afspraken. Die overtuiging is ook een belangrijke reden waarom ik onderdeel ben geworden van de commissie die toeziet op de Code Goed Onderwijsbestuur.

De code in de praktijk

Binnen mijn eigen organisatie is de code geen papieren werkelijkheid. We hebben afspraken over transparantie, integriteit en het publiceren van documenten. Veel waarden uit de code – zoals samenwerken, over de grenzen van je eigen organisatie heen kijken en integer handelen – sluiten aan bij hoe wij al werken.

Toch blijft het belangrijk om de code er jaarlijks bewust bij te pakken, om jezelf en de organisatie scherp te houden. Eén keer per jaar toetsen we expliciet: voldoen we nog? Soms is het een bevestiging, soms vraagt het om een bijstelling. De casuïstiek die we in de commissie bespreken, helpt mij om ook kritisch naar mezelf en naar mijn eigen organisatie te blijven kijken.

Een voorbeeld daarvan is het gesprek over nevenfuncties en onderwijsadviesbureaus. Dat is geen zwart-wit onderwerp. Wat is precies een onderwijsbureau? Wanneer wordt het problematisch? En hoe kijkt de raad van toezicht daartegenaan? Door een casus in de commissie realiseerde ik me dat sommige gesprekken die voor mij vanzelfsprekend leken, toch expliciet gevoerd moesten worden.

Blik op de toekomst

Ik zit nu ruim een jaar in de commissie en wat mij betreft is de belangrijkste opdracht voor de komende jaren: doorgaan op de ingezette lijn. Niet controleren om het controleren, maar kijken naar data, signalen en naleving van afspraken. En vooral het gesprek aangaan als iets niet lukt.

Besturen bewust maken dat hun handelen niet alleen henzelf raakt, maar de hele sector. Soms gebeurt iets onbewust, soms bewust. In beide gevallen is de dialoog essentieel: wat maakt dat het niet lukt en wat is er nodig om het anders te doen?

Ik kijk ook uit naar de verdere ontwikkeling van de commissie, met een onafhankelijke voorzitter en de vorming van een PO- en VO-kamer. Dat biedt kansen om te kijken waar primair en voortgezet onderwijs elkaar raken en waar samenwerking mogelijk is. Wat mij betreft is dat een mooie stap richting meer samenhang in het funderend onderwijs.