Q&A Wet Verduidelijking Burgerschap in het funderend onderwijs

22 juni 2021

Vanaf 1 augustus 2021 is de wet 'Verduidelijking van de burgerschapsopdracht aan scholen in het funderend onderwijs', waarmee de Eerste Kamer 22 juni instemde, een feit. De wet geeft het onderwijs meer richting en maakt de burgerschapsopdracht minder vrijblijvend. Deze wet geeft de Inspectie van het Onderwijs ook de mogelijkheid om met scholen hierover in gesprek te gaan.
1. Wat vraagt de nieuwe wet van scholen?

De oude wettekst:

Het onderwijs:
1. gaat er mede van uit dat leerlingen opgroeien in een pluriforme samenleving;
2. is mede gericht op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie; 
3. is er mede op gericht dat leerlingen kennis hebben van en kennismaken met verschillende achtergronden en culturen van leeftijdgenoten. 

De wettekst vanaf 1 augustus 2021:

Artikel 17. Actief burgerschap en sociale cohesie

1. Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, waarbij het onderwijs zich in ieder geval herkenbaar richt op: 
a. het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verankerd in de Grondwet, en de universeel geldende fundamentele rechten en vrijheden van de mens, en het handelen naar deze basiswaarden op school; 
b. het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme democratische Nederlandse samenleving en;
c. het bijbrengen van kennis over en repect voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. 

2. Het bevoegd gezag draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de waarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en creeert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met en het handelen naar deze waarden en draagt voorts zorg voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht de in het derde lid, onder c, genoemde verschillen. 

2. Wat verandert er voor scholen?

De herziene wet 'Verduidelijking burgerschap in het funderend onderwijs' geeft scholen meer richting en is minder vrijblijvend. De burgerschapsopdracht aan scholen wordt verduidelijkt en er is vastgelegd dat scholen leerlingen kennis en respect moeten bijbrengen voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en ieders grondrechten.

Kern van de wet is dat scholen op een doelgerichte en samenhangende wijze werken aan burgerschapsvorming. Scholen dienen een heldere visie en beleid te ontwikkelen op het burgerschapsonderwijs, met een door de leerjaren heen samenhangend programma, dat de burgerschapsvorming van leerlingen bevordert, waarbij de school ook concreet formuleert wat leerlingen zullen leren. Daarnaast dient de school dit te evalueren en verantwoording af te leggen in de schoolgids en het schoolplan. Ook staat in de wet dat leerlingen op school met burgerschapsvaardigheden moeten kunnen oefenen en dat de school het goede voorbeeld dient te geven als oefenplaats. 

3. Sinds wanneer is de wet van kracht?

1 augustus 2021.

4. Wat betekent dit voor een school?

Bij de invulling van burgerschapsvorming ligt het eigenaarschap bij de scholen.Scholen houden ruimte om zelf inhoud en vorm te geven aan burgerschapsonderwijs. Dit is in lijn met de vrijheid van onderwijs.

Met het wetsvoorstel wordt er wel een gemeenschappelijke verbindende kern verplicht gesteld voor alle scholen waarop het onderwijs zich in ieder geval herkenbaar dient te richten. Oftewel:

 

- scholen dienen een heldere visie en beleid te ontwikkelen op het burgerschapsonderwijs;
- met een door de leerjaren heen samenhangend programma, dat de burgerschapsvorming van leerlingen bevordert;
- waarbij de school ook concreet formuleert wat leerlingen zullen leren en hoe ze dat gaan evalueren.

Scholen moeten hun onderwijs binnen de grenzen van de democratische rechtsstaat vormgeven. De basiswaarden van de democratische rechtsstaat, en de daarbij passende competenties zijn belangrijke gedeelde uitgangspunten en vormen de kern op iedere school. Dat betekent dat scholen verantwoordelijk zijn voor:

 

- Het ontwikkelen van kennis van de democratie en rechtsstaat, alsmede de groendrechten en het handelen naar deze basiswaarden op school. Het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties.
Leren functioneren vereist niet alleen theoretische kennis, maar ook competenties. Democratie gaat ook om sociale omgang tussen mensen. Leerlingen leren op school samen te werken en te leven, om te gaan met maatschappelijke spelregels, hun eigen identiteit te ontwikkelen, hun mening te vormen en die van anderen te respecteren, het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuele geaardheid alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden.

 

- Een respectvolle oefenplaats bieden waarin actief geoefend kan worden met de basiswaarden en burgerschapsvaardigheden geinternaliseerd worden. Immers geef je burgerschap niet alleen vorm in het formele curriculum, maar breng je het ook in de praktijk. De school heeft grote vrijheid hier zelf kleur aan te geven vanuit de eigen identiteit. 

 

5. Welke basisvoorwaarden zijn verplicht voor een school om voor te leven?

Onderwijs dat de basiswaarden ondermijnt, of leerlingen oproept zich daartegen af te zetten, is strijdig met de wet. Scholen kunnen in het onderwijs eigen opvattingen hebben, maar de burgerschapsopdracht brengt met zich mee dat daarover de dialoog plaatsvindt binnen de school.

Oftewel, het onderwijs mag niet in strijd zijn met:

- Vrijheid van meningsuiting. Dat betekent dat je mag zeggen of schrijven wat je denkt, of tegen de opvattingen van anderen in mag gaan. Iedereen mag dus ook zijn of haar geloof uitdragen, of zijn of haar mening aan anderen voorhouden. Daarbij moet je je wel houden aan de wet.  

- Gelijkwaardigheid. Dat betekent dat mensen van gelijke waarde zijn. Daaarbij maakt het niet uit wat je denkbeelden zijn of wat je gelooft. Je hoeft niet te vinden dat die denkbeelden of gebruiken zelf waardevol zijn, maar wel dat mensen met andere denkbeelden en gebruiken niet minder waard zijn dan jij of jouw groep. 


- Begrip voor anderen. Dat betekent dat je probeert te begrijpen waarom mensen of groepen bepaalde denkbeelden of gebruiken hebben: wat is de achtergrond daarvan en waarom is dat belangrijk voor een ander.


- Verdraagzaamheid (ook wel tolerantie). Dat betekent dat je de mening of het gedrag van een ander accepteert, ook al ben je het er niet helemaal mee eens. En het betekent ook dat je ieder de ruimte wilt geven om zo'n mening of zulk gedrag te hebben. Natuurlijk moet iedereen zich daarbij wel houden aan de wet. 


- Autonomie. Dat betekent dat iedereen zelf kan bepalen wie hij/zij wil zijn en hoe hij/zij zijn leven wil leiden. Ieder is dus bijvoorbeeld vrij om zelf te bepalen welke denkbeelden of welk geloof voor hem/haar belangrijk is.  


- Het afwijzen van onverdraagzaamheid (ook wel intolerantie). Het betekent dat je vindt dat andere mensen of groepen, dingen waar jij het niet mee eens bent, niet zouden mogen denken of doen. En dat je het niet nodig vindt dat ieder de ruimte krijgt om zo'n mening of zulk gedrag te hebben.


- Het afwijzen van discriminatie. Dat betekent dat mensen of groepen bij anderen worden achtergesteld. Of dat je vindt dat er voor mensen met andere denkbeelden of gebruiken niet zoveel ruimte hoeft te zijn, of dat die denkbeelden of gebruiken zelfs verboden moeten worden.

6. Hoe verhoudt de wet zich tot de vrijheid van onderwijs?

Burgerschap is een ingewikkeld begrip. Welke invulling eraan wordt gegeven en welke aspecten benadrukt worden, kan ook verbonden zijn met specifieke waarden en normen die voortkomen vanuit een godsdienstige, levensbeschouwelijke of pedagogische grondslag. Bovendien kunnen scholen en hun omgeving sterk verschillen. Scholen houden in de vrijheid van onderwijs daarom veel ruimte om zelf inhoud en vorm te geven aan het burgerschapsonderwijs. 

7. Waar zal het toezicht van de Inspectie zich op focussen?

Bij de invulling van burgerschapsvorming ligt het eigenaarschap bij de scholen. Dat geeft ruimte voor de eigen identiteit van de school. De Inspectie zal terughoudend toetsen. Wel geldt de gemeenschappelijke kern als verplicht uitgangspunt voor alle scholen. Die kern omvat de waarden, principes en uitgangspunten van de democratische rechtsstaat, zoals beschreven bij vraag 5.

Om deze kern goed over te dragen, is een doelgericht en samenhangend onderwijsprogramma vereist. Het onderwijsprogramma moet tenminste bestaan uit een kenniscomponent, bijbehorende competenties en een schoolcultuur waarin deze democratische spelregels worden voorgeleefd en waarmee wordt geoefend.  


De Inspectie zal daarnaast toetsen op naleving van het volgende:


- Draagt het bevoegd gezag zorg voor een schoolcultuur waarin bij het aanbieden van onderwijs betrokken personen het volgende als centrale spelregels hanteren en voorleven: vrijheid van meningsuiting, gelijkwaardigheid en het afwijzen van discriminatie, verdraagzaamheid en het afwijzen van onverdraagzaamheid, onderling begrip en autonomie van leerlingen.  


- En creeert het bevoegd gezag daarmee een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

Voor meer informatie: Onderzoekskader 2021 Inspectie van het onderwijs.

8. Wat betekent doelgericht en samenhangend werken voor uw school?

De wet introduceert de begrippen 'doelgericht', 'samenhangend' en 'herkenbaar'. Dit doet een direct beroep op de kwaliteitszorg van scholen.

Scholen moeten:


- een heldere visie en beleid op burgerschap ontwikkelen en inzichtelijk maken hoe deze samenhangt met het schoolbeleid;


- heldere burgerschapsdoelen formuleren;


- een doorlopende leeerlijn opstellen met concreet uitgewerkte leerdoelen waarin kennis, houding en vaardigheden worden uitgedrukt. Hierin wordt duidelijk wanneer ze de leerling op welke momenten in hun schoolperiode deze competenties willen bijbrengen. Op basis hiervan wordt het onderwijsaanbod vormgegeven;


- opbrengsten van het burgerschapsonderwijs volgen en leerresultaten in kaart brengen en waar nodig de aanpak aanpassen; 


- hierover verantwoording afleggen in het schoolplan en in de schoolgids. 

9. Wat moet er over burgerschap staan in het schoolplan en in de schoolgids?

In de schoolplan moeten de volgende zaken zijn opgenomen: 


- Een uitwerking van de burgerschapsopdracht in de beschrijving van het onderwijskundig beleid. Met daarin ook hoe de school zorgt voor een cultuur en oefenplaats waarin de basiswaarden centraal staan. Dit beleid is doelgericht en samenhangend.


- Het is duidelijk hoe dit gemonitord wordt.


- Er is vastgelegd hoe het onderwijsteam wordt ondersteund en gefaciliteerd.


- In de schoolgids worden bij de doelen van het onderwijs de doelen op het terrein van burgerschapsvorming meegenomen en de resultaten die worden nagestreefd. Ook hier worden uitkomsten uit de monitoring, en de opgenomen maatregelen daarop, vermeld. 

Bij vragen kunt u contact opnemen via het mailadres burgerschap@vo-raad.nl