Sectorrapportages po en vo 2021: Vijf bestuurders aan het woord over de belangrijkste thema’s in hun regio

27 oktober 2021

Naar aanleiding van de eerste sectorrapportage voor het voortgezet onderwijs, die vanaf 7 oktober openbaar is, hebben we vinger aan de pols gehouden bij het onderwijsveld. In een serie van vijf artikelen en video's vertellen schoolbestuurders welke thema’s in hun regio op dit moment aandacht verdienen. Ook geven ze aan hoe in hun ogen collega-bestuurders en politiek daaraan kunnen bijdragen.

Frits Hoekstra: ‘Kansengelijkheid vraagt om meer leraren en goed taal-en rekenonderwijs’

Bekijk de video en lees het interview: 

Interview met Frits Hoekstra, voorzitter College van Bestuur SCOPE-scholen

Frits Hoekstra, vanaf 1 augustus voorzitter College van Bestuur SCOPE-scholen

Basisvaardigheden zoals rekenen en taal zijn wat Frits Hoekstra betreft een primaire voorwaarde voor het creëren van gelijke kansen voor alle leerlingen: “Denk na over je taal en rekenonderwijs, kijk welke acties werken en kansen vergroten. Uit ervaring weet ik dat het (structureel) stimuleren om nèt dat stapje verder te zetten, kinderen daadwerkelijk vooruit helpt.”

Frits Hoekstra, vanaf 1 augustus voorzitter College van Bestuur SCOPE-scholenAl vanaf de middelbare school wist Frits Hoekstra dat zijn toekomst in het onderwijs lag, toen een lerares Nederlands tegen hem zei ‘jij zou een goede leraar zijn’.Tijdens de lerarenopleiding ging hij stage lopen op een toenmalig vbo (voorbereidend beroepsonderwijs) en dat opende zijn ogen: “Daar werd ik gegrepen door het leraarsvak, want ik zag wat je als leraar voor een leerling kon betekenen, vooral voor kinderen die goed onderwijs het hardst nodig hebben. Als leraar kun je leerlingen zelfwaardering geven en als school kun je rust en regelmaat bieden aan kinderen wiens thuissituatie niet zo rustig is.”

Na zijn studie ging hij in een periode van lerarenoverschot aan de slag bij een middelbare school, die het experiment met de toenmalige opvolger van de middenschool aanging, het voortgezet basisonderwijs (vbao) waarbij sprake was van volledig heterogene driejarige brugklassen van v(m)bo tot vwo. “Dat droeg daadwerkelijk bij aan kansengelijkheid:er was sprake van uitgestelde selectie en kinderen van alle onderwijssoorten leerden elkaar echt kennen aangezien ze de eerste drie jaren bij elkaar in de klas zaten. Zo stroomde een leerling uit het speciaal onderwijs door naar de mavo, vervolgens mbo en pabo en geeft nu les op een basisschool.

Bovendien werkten we daar met succes volgens de theorie van Vygotsky: leren en ontwikkelen met nèt de volgende stap in het vizier. Helaas stopte het vbao-experiment na een aantal jaren, het werd te duur vond de politiek en het vergde (te) veel van leraren was de opinie.

”Vanuit de behoefte om meer invloed uit te oefenen op de kwaliteit van onderwijs en begeleiding ging Hoekstra uiteindelijk meer richting het leidinggeven en is via het schoolleiderschap bestuurder geworden: “In tegenstelling tot docent of schoolleider die met twee benen in de school staan, sta je als bestuurder met één been in de school en met één been daarbuiten en dat maakt je invloedssfeer veel groter. Je werkt samen met andere partijen in je omgeving zoals gemeenten.”

Vanaf het schooljaar 2021-2022 is hij bestuurder bij SCOPE, een scholengroep voor primair onderwijs en voortgezet onderwijs met ook speciaal (voortgezet) onderwijs en praktijkonderwijs.


Schoolplan

Hoekstra ziet met lede ogen aan dat het huidig onderwijssysteem kansengelijkheid tegenwerkt: “Het is bovendien een breder, maatschappelijk vraagstuk: ouders willen begrijpelijkerwijs hun kind op de beste school plaatsen en dat werkt categoraal onderwijs in de hand. Ook dat particulier onderwijs wettelijk mogelijk is, maakt het mogelijk dat de ouders met de dikste portemonnee de beste kansen voor hun kinderen kunnen creëren.”

Bij zijn werkplek tot 1 augustus, Stichting Confessioneel Onderwijs Leiden, waar hij sinds 2017 schoolbestuurder is, ondernemen ze in ieder geval zelf al actie op het gebied van kansengelijkheid: “We stimuleren onze scholen extra om rekenen en taal als basisvaardigheden op te nemen in het schoolplan.

Wat de politiek kan doen? Hoekstra: “Allereerst te overwegen om de brede basisvorming weer in te voeren met uitstel van keuze. Daarnaast door categoraal onderwijs ter discussie te stellen. Als derde punt een meer fundamenteel iets dat raakt aan de 'Wet op beroepen in het onderwijs', namelijk: bedenk een systeem waarin het voor een leraar aantrekkelijker is om op een school te werken met leerlingen die met name gebaat zijn bij extra goed onderwijs (zoals bij het praktijkonderwijs, speciaal onderwijs en achterstandswijken), dan op een school met leerlingen voor wie het leren over het algemeen al gemakkelijker afgaat en die thuis meer steun krijgen.”


Hybride baan

Verder vraagt Hoekstra aandacht voor het lerarentekort, het thema waar ze ook in zijn regio mee te maken hebben.“Op dit moment kun je in feite alleen in een vicieuze cirkel werken: je hebt nieuwe aanwas nodig terwijl je de huidige leraren hard nodig hebt voor de klas, waardoor ze eigenlijk geen tijd hebben om goede begeleiding te kunnen geven aan stagiaires.

Hier maken we gebruik van de subsidieregeling RAP (regionale aanpak personeelstekort): we stimuleren mensen om naast hun huidige baan of bedrijf ook voor een paar dagen voor de klas te staan, een hybride baan dus. Dat is wel een taakverzwaring voor de schoolleiders maar het tekort weegt toch zwaarder.

Daarnaast werken we in de regio samen als opleidingsscholen. Verder denken we na over te kleine scholen - die verdunnen - dus is het beter om te kijken of ze wel nog nodig zijn. Maar ook anders werken, anders inrichten van het onderwijs zijn acties die we ondernemen: als er niets gebeurt moeten er misschien op termijn wel specialistische vakken in het vo (zoals wiskunde D) wegvallen.”

Over hoe de politiek kan bijdragen heeft Hoekstra duidelijke ideeën: “Schaf de 'Wet op de nieuwe scholen' af, die is contraproductief voor regionale (onderwijs)samenwerking, werkt concurrentie in de hand en schept onderling wantrouwen. Creëer verder geld en tijd om ruimte te bieden om stagiaires te begeleiden. En tot slot: zorg voor betere lerarensalarissen.”

Ingrid de Bonth: ‘Meer collectieve slagkracht door verdergaande onderwijssamenwerking’

Bekijk de video en lees het interview:

Interview met Ingrid de Bonth, vicevoorzitter College van Bestuur Lucas Onderwijs

 Ingrid de Bonth, vicevoorzitter College van Bestuur Lucas OnderwijsAls antwoord op de vele uitdagingen waar het funderend onderwijs voor staat, ziet Ingrid de Bonth in verdergaande samenwerking tussen schoolbesturen een belangrijk deel van de oplossing: “Bij alles wat we in het onderwijs doen, moeten we ons altijd de vraag voorhouden ‘is dit in het belang van de leerling? ’Om die vraag met een ‘ja’ te kunnen beantwoorden, moeten we met elkaar veel sterker als sector optreden, waardoor we samen veel meer collectieve slagkracht hebben.”

Ingrid de Bonth, vicevoorzitter College van Bestuur Lucas OnderwijsZelf heeft Ingrid de Bonth zoveel mogelijk uit het onderwijs gehaald. Na haar studie Nederlands is ze gepromoveerd op het onderwerp ‘boekencensuur in de zeventiende-eeuwse Republiek’. De periode waarin ze verkende wat voor werk ze wilde doen, heeft ze tevens benut om haar eerste-en tweedegraads lesbevoegdheid te halen en een studie rechten af te ronden. Haar promotor zette haar ondertussen op het spoor van het internationale bedrijfsleven en als gevolg daarvan is ze bij Shell aan de slag gegaan ("de 'esthetiek' van zware industrie boeit me"). “Ik heb daar een ontzettende boeiende en leerzame tijd gehad, maar na vijftien jaar speelde bij mij het devies op dat ik van huis uit heb meegekregen, namelijk ‘met je talenten moet je woekeren’. Ik heb mezelf de vraag gesteld welke maatschappelijke bijdrage ik met mijn kennis en ervaring kon leveren en heb uiteindelijk heel bewust voor een terugkeer naar het onderwijs gekozen,” vertelt De Bonth.

Ze begon in 2012 eerst als rector (‘hoe leid je een school?’) maar niet lang erna ontstond in 2015 de mogelijkheid om vicevoorzitter te worden van het College van Bestuur van Lucas Onderwijs. “Men zocht verdere verbindingen tussen het primair en het voortgezet onderwijs, gestoeld op een robuuste bedrijfsvoering. Mijn ervaring in zowel het bedrijfsleven als in het voortgezet onderwijs boden daarvoor een goede basis. Ik kreeg een heldere opdracht mee, namelijk ‘het op orde krijgen van de gezamenlijke bedrijfsvoering voor het po en vo.”

Na ruim zes jaar wordt de schoolbestuurder elke dag nog blij van haar werk, namelijk bijdragen aan de ontwikkeling van jonge mensen voor de toekomst, door daar als bestuurder integraal invulling aan te geven en zich bezig te houden met vragen als ‘hoe faciliteer en stimuleer je dat?’, ‘hoe zorg je voor optimale ondersteuning?’.


Collectieve slagkracht

Collectieve slagkracht draagt volgens De Bonth bij aan oplossingen voor de vele pittige vraagstukken waar scholen en schoolbesturen zich voor weten gesteld. Als bestuur alleen sta je vaak niet sterk genoeg. Het zou veel beter zijn om meer samen op te trekken, waardoor je een stevige en gelijkwaardige gesprekspartner kunt zijn voor andere partijen. Uitgaande van het belang van de leerling moeten we als bestuurder de keuze maken tussen wat je qua ondersteunende diensten in huis houdt en wat je beter kunt uitbesteden. Je hoeft niet koste wat kost op alle vlakken een volledige autonomie te koesteren; deze in mijn ogen soms toch te zeer op sentiment gestoelde, diepgewortelde behoefte belemmert helaas nog te vaak dat we op passende thema’s binnen de sector werkelijk met elkaar samenwerken. Als achilleshiel van de sector zie ik het nog al te zeer versnipperde landschap, waardoor niet alle besturen de vereiste professionaliteit in huis kunnen hebben en houden.

Bij Lucas Onderwijs proberen we daar zelf aan bij te dragen door daadwerkelijk de samenwerking op te zoeken met andere besturen en soms ook betrokken te zijn bij fusies. Groei mag nooit een doel op zich zijn, maar als groter bestuur ben je op een aantal terreinen wel in staat om de vruchten te plukken van synergie en om je sterk te maken voor doorontwikkeling en innovatie. Ik vind dat we het als sector aan onszelf verplicht zijn om verdere samenwerking en professionaliteit daadwerkelijk op te pakken. De politiek kan daarbij helpen door niet steeds opnieuw de governance ter discussie te stellen.”


Digitalisering

Een uitdagend thema dat volgens De Bonth nog veel meer collectieve sectorslagkracht kan gebruiken, is digitalisering. “Heeft de coronacrisis deze ontwikkeling in een stroomversnelling gebracht, nu is het zaak om de regie te behouden en deze niet verliezen aan de leveranciers. Daarom ben ik ook actief bij SIVON (een coöperatie van schoolbesturen in het funderend onderwijs op het gebied van ICT en inkoop, red.), zodat we als sector zoveel mogelijk met één stem spreken en een serieus te nemen partner zijn en blijven.”


​Duurzaam

​Tot slot stipt De Bonth het Nationaal Programma Onderwijs aan: “We hebben te maken met een astronomisch bedrag (ca. 5,8 miljard voor het funderend onderwijs, red.), dat we in zeer korte tijd – twee jaren – op een waardevolle manier moeten inzetten, terwijl de verwachtingen hoog zijn en de beschikbaarheid van mensen een ferm vraagstuk vormt. Uiteraard kunnen we hiermee belangrijke vraagstukken aanpakken, maar veel van de uitdagingen vragen om structurele, duurzame oplossingen. Meer dus dan een eenmalige investering. Mijn oproep aan de politiek is dan ook om weg te bewegen vanad hoc-ingrepen en te komen met structurele ondersteuning met een werkbare verantwoording.”

Erika Diender: ’Relatie tussen leerling en leraar bepalend voor kwaliteit van onderwijs’

Bekijk de video en lees het interview:

Interview met Erika Diender, voorzitter College van Bestuur Quadraam

Wat Erika Diender betreft is de relatie tussen leerling en leraar bepalend voor de kwaliteit van het onderwijs. “Vergelijk het met de zorg: daarin wordt de kwaliteit van de zorg, naast expertise, voor een groot deel bepaald door de relatie tussen patiënt en behandelaar. Bovendien gaat het in de zorg over ziek of gezond. Dat is veel meetbaarder dan de opbrengsten van het onderwijs voor een leerling. Voor ons ligt er dan ook een uitdaging hoe je dat meer meetbaar maakt.

Erika Diender, voorzitter College van Bestuur Quadraam.
De afgelopen periode heeft Erika Diender in ieder geval ervaren dat niet alleen de cognitieve kant een rol speelt om kinderen in een permanente stand van leren te brengen, maar zeker ook het welbevinden minstens zo belangrijk is. De vraag is hoe zet je die stappen richting ‘leven lang leren’? 
 

Politie

Een uitdaging die voor Diender een kolfje naar haar hand is. Haar hele werkzame leven draait om de vraag ‘wat drijft mensen tot bepaald gedrag?’: eerst naar aanleiding van haar marketingstudie en haar eerste ervaringen in het bedrijfsleven. Daarna in het hoger onderwijs waar ze tussen de bedrijven door ook haar lesbevoegdheid heeft gehaald en vervolgens in haar leiderschapsrol bij de politie. “Op den duur miste ik maatschappelijke diepgang in mijn werk. De kans om bij de politie te komen werken heb ik dan ook met beide handen aangegrepen. Letterlijk op straat heb ik het vak geleerd, een fantastische tijd. Ik kwam op die manier in aanraking met dat deel van de samenleving waarmee ik normaal gesproken niet in aanraking zou komen: de mensen aan de onderkant van de samenleving, die niet de kansen en zorgeloze jeugd hebben gehad om uiteindelijk als vanzelfsprekend te kunnen meedraaien in de maatschappij,” vertelt Diender. 


Die ‘harde’ leerschool heeft haar laten inzien dat de leeftijd van 12-18 jaar misschien wel de belangrijkste levensfase is om je te vormen voor de toekomst en waarin je nog veel kan beïnvloeden: “Als daar iets echt misgaat dan is het bijna onmogelijk om te herstellen.” En zo is ze uiteindelijk in het voortgezet onderwijs terechtgekomen waar ze bij de Gelderse Onderwijsgroep Quadraam sinds 2014 bestuurder is. 
 

Leefwerelden

“Laten we voorop stellen dat als je naar de kwaliteit van het onderwijs kijkt, wij het in Nederland helemaal niet zo slecht doen. Er zijn erg weinig scholen in Nederland die een onvoldoende krijgen. Ook behoren onze leerlingen tot de gelukkigste kinderen van de wereld. Wel is inmiddels duidelijk geworden dat ‘welbevinden’ een minstens zo grote rol speelt in goed onderwijs. Voor Diender heeft dat alles te maken met de relatie tussen leerling en leraar, waarin een leven lang leren centraal zou moeten staan.


Op Quadraam werken ze daar al aan door kennis van leraren bij elkaar te brengen, zodat er gezamenlijk gedeeld en geleerd kan worden. Ook leerlingen krijgen bovenschools de kans in de Quadraam Highschool om onderwijs naar wens te volgen en mee te helpen ontwikkelen. Leerlingen van verschillende scholen volgen nu samen het vak filosofie, werken aan de ontwikkeling van ICT-modules of werken in een gezamenlijk project (vmbo-leerlingen samen met gymnasiasten) aan de ontwikkeling van een raceauto. 


“Onze visie is om de leefwerelden van leraar en leerling bij elkaar te brengen. Niet om ze dezelfde te maken, maar dat er wel interesse is in elkaar. Alleen dan draag je bij aan een goede relatie. De politiek (en overheid) kan daarbij helpen door te erkennen dat er meer is dan alleen de cognitieve kant en ernaar te handelen. Gebruik hiervoor het NPO (Nationaal Programma Onderwijs, red.), niet alleen om te repareren maar juist om het onderwijs klaar te maken voor de toekomst. Schep ruimte voor vragen als: wat is kwaliteit van onderwijs? Hoe werk je aan een kwaliteitscultuur in je school? Hoe kan onderwijs bijdragen aan kansengelijkheid?”
 

Digitalisering

Ook vraagt de Gelderse schoolbestuurder (blijvende) aandacht voor digitalisering. “Stelt de sectorrapportage dat ‘corona digitalisering in een stroomversnelling heeft gebracht’, dan vul ik dat aan met ‘ik hoop het!’. In feite duurt de coronaperiode te lang: in het begin werd het digitale onderwijs nog als een oplossing gezien, terwijl nu iedereen het onderhand zat is om alleen maar vanuit huis onderwijs te volgen en te geven. Ik zie in de combinatie een goede werkwijze: online onderwijs voor overdracht en instructie, waar minder interactie nodig is en dat veel leerlingen in één keer kan bereiken. Wil je daarentegen juist de verdieping ingaan, er samen mee aan de slag gaan, dan kom je - in klein verband - wél fysiek bij elkaar. Dus geen klassen van dertig leerlingen, maar kleine groepen van maximaal twaalf.


Een dergelijk initiatief zet uiteraard een heel schoolsysteem op de kop en vraagt lange adem en een lange termijn. Bovendien ligt onderwijsontwikkeling primair bij de scholen en niet bij schoolbesturen: onderwijsontwikkeling vindt plaats met en door docenten en met betrokkenheid van de medezeggenschap. Dat laat onverlet dat we als bestuur de juiste randvoorwaarden moeten ontwikkelen en continu in gesprek zijn met onze schoolleiders over dit thema. De menukaart van interventies in het NPO, zoals om klassen fors te verkleinen, biedt mogelijkheden maar is geen oplossing voor de lange termijn. Een volgende stap is nodig om structurele mogelijkheden te ontwikkelen.”
 

Voorwaarden

Tot slot staat Erika Diender ook even stil bij het thema financiën, vooral gezien het huidig maatschappelijk debat waarin de teneur is om nut en noodzaak van het schoolbestuur in twijfel te trekken. “Ik ben voor transparantie, we werken per slot van rekening met publiek geld. Als bestuur heb je met zóveel instanties te maken om elke cent te verantwoorden, dat het bijna onmogelijk is om daarmee foute dingen te doen. Zeker, als je kwaad wilt kan dat, zoals in elke sector, maar het overgrote deel van de besturen houdt zich netjes aan de regels. Die enkele rotte appel vertroebelt helaas de beeldvorming.


Als bestuur ben je ervoor om de voorwaarden te scheppen waaronder de leraar daadwerkelijk onderwijs kan geven en de leerling graag naar school komt. Denk aan goede huisvesting, schoonmaak, personeelsadministratie. Je hébt iemand nodig om de stoelen in de klas klaar te zetten, het digibord gereed te maken en ervoor te zorgen dat het salaris netjes elke maand op ieders rekening wordt overgemaakt. Zonder al die zaken kun je domweg geen onderwijs geven.”

Jan Otte: ’Passend onderwijs voor ieder kind met brede zorgscholen’

Bekijk de video en lees het interview: 

Interview met Jan Otte, lid College van Bestuur Jacobus Fruytier Scholengemeenschap

Jan Otte is er stellig over: haal de hekken tussen het voortgezet speciaal onderwijs (vso) en het voortgezet onderwijs (vo) weg en alle betrokkenen plukken daar de vruchten van. Meer zelfvertrouwen bij de leerlingen en meer kennis en vaardigheden bij docenten. Ook biedt intensieve samenwerking zonder onnodige belemmering tussen deze twee onderwijssoorten de unieke mogelijkheid om naar de algehele ontwikkeling van het kind te kijken, wat de kwaliteit van het onderwijs alleen maar ten goede komt. 

Jan Otte, lid College van Bestuur Jacobus Fruytier Scholengemeenschap


Van jongs af aan al wist Otte dat zijn hart bij het onderwijs lag. “Mijn interesse gaat uit naar het groeien en ontwikkelen van mensen en dan kom je als vanzelf in het onderwijs terecht. Van lesgeven binnen het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en vervolgens meer richting leidinggeven,” licht de schoolbestuurder toe, die sinds 2011 betrokken is bij Jacobus Fruytier Scholengemeenschap, waar praktijkonderwijs, vmbo, havo en vwo aangeboden worden. Vanuit die interesse heeft Ottena na de pabo de studie pastorale psychologie gevolgd, omdat zinverlening en zingeving zo belangrijk zijn in het leven van kinderen en volwassenen. 


Otte: “Als bestuurder kan ik bovendien naast de groei van leerlingen en collega’s ook de groei van de schoolorganisatie helpen verder te ontwikkelen. ”En dat laatste wordt steeds belangrijker om goed onderwijsaanbod te kunnen blijven garanderen, door regionaal samen te werken (‘de andere schoolbesturen zien ons niet als concurrent vanwege onze reformatorische identiteit’) en landelijk met de zeven andere reformatorische schoolbesturen voor voortgezet onderwijs (de zgn. Bible belt). 
 

Brede zorgschool

Tot 2025 doet zijn scholengemeenschap samen met de Obadjaschool (vso) in Zwolle mee aan een experiment met als beoogd doel het samengaan van het voortgezet speciaal onderwijs met het voortgezet onderwijs tot brede zorgschool. “Doordat de school bekend staat als brede zorgschool is de vso-afdeling aantrekkelijk voor leerlingen,” ervaart Otte. Leerlingen van het vso krijgen meer zelfvertrouwen omdat ze kunnen meedraaien op het ‘gewone’ vo (een aantal maakt uiteindelijk ook daadwerkelijk die overstap). Daarnaast doen vo-docenten meer vaardigheden en kennis op om goed onderwijs te geven, door middel van de specialistische deskundigheid vanuit het vso zoals op het gebied van orthopedagogiek en (contextuele) psychologie. 


Bovendien werkt het vso met een zgn. kijkwijzer, een soort handleiding waarmee naar de gehele ontwikkeling van het kind - ook persoonlijk, sociaal - wordt gekeken en niet alleen naar de cognitieve resultaten. “Die kijkwijzer gebruiken we nu ook in het regulier vo en op die manier kunnen we meer en beter maatwerk leveren,” stelt Otte. “Mijn oproep aan de politiek is om de overbodige (bestuurlijke) belemmeringen tussen het vso en vo weg te halen: nu stuiten we op de grenzen van twee verschillende wettelijke systemen, verschillende toetsingskaders bij de inspectie, noem maar op. In de praktijk zou dit naar de toekomst een stelselwijziging kunnen betekenen en de politiek (lees ook ‘overheid’) kan hierin faciliteren vanuit experimenten die duidelijk maken wat nodig en mogelijk is.”


Strategisch personeelsbeleid

Een tweede thema waar Otte aandacht voor vraagt is het belang van strategisch personeelsbeleid ofwel strategisch hrm. Shrm is de schakel tussen de ambities van de school en de realisatie daarvan in de praktijk. Dat betekent dat er meer aandacht is voor de professionalisering van de medewerkers om de doelen te kunnen realiseren; ook ontstaat er meer differentiatie in de teams wat betreft werk en deskundigheid. Otte: “De laatste tijd nemen we bijvoorbeeld meer onderwijsassistenten, docentondersteuners en instructeurs aan, niet alleen om de docenten te ontlasten maar ook omdat het onderwijs verandert. De tijd dat een docent verbonden is aan één klas en één lokaal voor de lesduur van vijftig minuten is niet meer de enige vorm om onderwijs te organiseren. Met al die variabelen kan je flexibel omgaan. 


Daarnaast vinden we het erg belangrijk dat ons personeel zich kan blijven ontwikkelen. Zodat bijvoorbeeld een onderwijsassistent kan doorgroeien naar uiteindelijk docent. Daarbij komt dat onze vijver om personeel te werven ook kleiner is: de docenten moeten de reformatorische identiteit  onderschrijven,” licht Otte toe. “Voor de schoolbestuurder is het zaak dat vanuit OCW het belang van strategisch hrm blijvend wordt gezien en erkend, omdat doorgaande ontwikkeling ook voor medewerkers in het onderwijs ontzettend belangrijk is. En Otte zelf? “Op incidenteel verzoek verzorg ik gastlessen: dan heb ik weer direct contact met leerlingen, daar geniet ik enorm van. Maar ik haal nog steeds veel voldoening uit het besturen. En dat vraagt ook dat je voortdurend persoonlijk in ontwikkeling bent.”
 

Barbara Dijkgraaf: Richt het onderwijs in naar potentie’

Bekijk de video en lees het interview: 

Interview met Barbara Dijkgraaf, voorzitter College van Bestuur stichting ZAAM

Wat heeft de leerling eraan? Bij alles wat ze doet speelt die vraag in het achterhoofd van Barbara Dijkgraaf: “Eén van de dilemma’s waarmee we worstelen is dat we ervoor zorgen dat leerlingen zich zoveel mogelijk ontwikkelen volgens het schooladvies, maar in hoeverre doen we ze daarmee tekort? Moeten we ons niet veel meer richten op het bieden van kansen en uitdagingen om ze hun potentie te laten benutten?”​

Barbara Dijkgraaf, voorzitter College van Bestuur stichting ZAAM


Als schoolbestuurder sinds 2018 bij stichting ZAAM is Barbara Dijkgraaf bijna haar hele leven betrokken bij het onderwijs. Vanuit het inzicht dat ‘ieder mens de behoefte heeft om zich te ontwikkelen' heeft ze onderwijskunde gestudeerd. “Als vanzelf ben ik het vak van bestuurder ingerold. Mijn drijfveer is het onderwijs zó in te richten dat leerlingen het maximale eruit kunnen halen,” vertelt Dijkgraaf. “Bovendien heeft de stad Amsterdam een extra uitdaging door de enorme diversiteit die de hoofdstad kenmerkt. Ik haal veel voldoening uit de verbindingen die ik als bestuurder mag leggen, tussen verschillende mensen en partijen, waarbij alles draait om de leerling: wat heeft die eraan?” Die centrale vraag gaf voor haar ook de doorslag om mee te doen aan de documentaireserie Klassen: “In mijn ogen hebben ze het onderwijs en het kansenvraagstuk integer in beeld gebracht en hoewel het effect voor onze scholen zeker niet overwegend positief was, sta ik nog steeds achter onze deelname. De serie heeft het thema kansengelijkheid wel onderwerp van maatschappelijk debat gemaakt.” 
 

Potentie

Dat is voor Dijkgraaf dan ook het belangrijkste thema, in relatie tot onderwijskwaliteit. “Juist omdat onze leerlingen vaak extra ondersteuning nodig hebben, bijvoorbeeld op het gebied van taal, stellen we ons voortdurend vragen als ‘doen we genoeg?’, ‘faciliteren we het onderwijs voldoende?’, hoe kunnen we de docenten helpen om zich verder te professionaliseren in het geven van goed onderwijs?’


Bovendien speelt in een extreem diverse stad als Amsterdam, waar leerlingen wiens toekomst bij de start nog zeer ongewis is en waarbij het advies geen duidelijk zicht geeft op reële kans van slagen, voortdurend de vraag: hoe kunnen we leerlingen helpen om het beste uit zichzelf te halen? Soms is dat letterlijk: hoe blijven zij bij ons in beeld? Maar vaak is dat ook: hoe bieden we die extra ondersteuning zodat ze zich kunnen blijven ontwikkelen op het niveau dat bij ze past? Hoe geef je ze de tijd en ruimte om zich te ontwikkelen, waarbij niet het laagste schooladviesniveau leidend is? De huidige manier van toetsen helpt niet echt het onderwijs in te richten naar potentie.” 
 

Dijkgraaf roept de politiek dan ook op het onderwijsstelsel en het toezicht zo in te richten dat meer kansen en uitdagingen geboden worden met het oog op de potentie van leerlingen, in plaats van het stelsel dicht te timmeren. Ze noemt als voorbeeld taal: “Gebleken is dat taalbeheersing cruciaal is om school met succes te verlaten. Creëer daarom rondom de leerling meer ruimte voor taalontwikkeling op alle fronten, niet alleen binnen onderwijs, maar ook in de thuissituatie, bij de sportvereniging.” En faciliteer scholen die leerlingen in minder kansrijke posities een brede onderbouw bieden en extra taalonderwijs, door extra bekostiging en door de docenten op die scholen structureel extra te belonen. Met de NPO-middelen kunnen we heel veel doen op dit terrein, maar die zijn helaas incidenteel."
 

Brede scholen, brede brugklassen

Daarbovenop biedt Amsterdam een rijk onderwijsaanbod en vindt Dijkgraaf het van het grootste belang dat de licht groeiende populatie daar optimaal van profiteert: “Nu is het zo dat een select aantal scholen zeer populair is - met name de conceptscholen en categorale scholen - en moeten we hier elk jaar werken met loting. Die aantrekkingskracht van die scholen leidt ertoe dat veel meer scholen kiezen voor een smal profiel met bijvoorbeeld alleen maar havo en/of vwo. De brede schoolgemeenschappen, van vmbo tot vwo, zijn daardoor minder gewild, terwijl we daar juist beter die vroege selectie in leerwegen kunnen uitstellen en zo meer kansen kunnen bieden aan leerlingen.


Het is heel begrijpelijk dat ouders voor hun kind het hoogst haalbare willen en het kind het liefst op een school met een niveau hoger willen plaatsen dan een niveau lager. Het zou helpen als die brede scholen met meer bekostiging veel meer faciliteiten kunnen bieden, bijvoorbeeld kleine klassen en aantrekkelijker salarissen, zodat de beste leraren voor die scholen kiezen.


We proberen in deze regio als grootste schoolbestuur van de 25 besturen hierin samen te werken, maar je begrijpt dat hier de concurrentie veel meer speelt dan nodig is. Het zou daarom goed zijn als de politiek het niet alleen houdt bij een advies tot brede scholen met brede brugklassen, maar die brede scholen ook beter faciliteert. Anders komt het niet van de grond. Durf verschil te maken tussen scholen om kansenongelijkheid te bestrijden.”


​Voor Dijkgraaf is het evident: kwaliteit van onderwijs heeft alles te maken met wat je als school doet om een leerling zich optimaal te laten ontwikkelen: “Laten we kinderen meer tijd en ruimte geven om hun potentie te laten ontwikkelen en de vroege selectie afschaffen. Wat de afgelopen periode zichtbaar heeft gemaakt is dat om iemand zich zo goed mogelijk te laten voorbereiden op de eigen plek in de samenleving, niet alleen afhankelijk is van het cognitief vermogen maar zeker ook van sociale en persoonlijke vaardigheden.”