Debat inclusief onderwijs: Tweede Kamer vraagt om randvoorwaarden, duidelijk transitieplan en blijvende aandacht voor uitvoering
Tijdens het commissiedebat over passend onderwijs op 27 mei 2026 debatteerde de Tweede Kamer met staatssecretaris Tielen (OCW) en minister Sterk (VWS) over de verdere ontwikkeling van passend naar inclusief onderwijs. Kamerleden vroegen vooral aandacht voor de randvoorwaarden die nodig zijn om deze ontwikkeling in de praktijk goed vorm te geven. De staatssecretaris kondigde aan begin 2027 een transitieplan naar de Kamer te sturen. Zij gaf aan dat inclusief onderwijs in 2035 ambitieus maar haalbaar is.
In het debat was er brede aandacht voor de vraag wat scholen, schoolbesturen, docenten en samenwerkingsverbanden nodig hebben om leerlingen waar nodig passende ondersteuning te kunnen bieden en de transitie naar inclusief onderwijs te kunnen maken. Kamerleden vroegen onder meer om duidelijkheid over ondersteuning in de klas, samenwerking tussen onderwijs en zorg, leerlingenvervoer, passende huisvesting, professionalisering van personeel en de financiering van de beoogde veranderingen.
Ook werd meerdere keren gevraagd om een helder transitieplan en om de Tweede Kamer de komende jaren vaker over de voortgang te informeren. Daarbij klonk de wens om niet alleen de langetermijnambitie te bespreken, maar ook zicht te houden op wat op korte termijn nodig is voor alle betrokken partijen.
Transitieplan begin 2027
Staatssecretaris Tielen noemde de ambitie om in 2035 toe te werken naar inclusief onderwijs ambitieus, maar haalbaar. Zij kondigde aan dat begin 2027 een transitieplan naar de Tweede Kamer wordt gestuurd.
Volgens de staatssecretaris bevat dit transitieplan in elk geval de route voor de komende drie jaar, met doelstellingen, cijfers, mijlpalen, een financiële paragraaf en een ijkmoment. Ook de evaluatie van de verbeteraanpak passend onderwijs, die later dit jaar wordt verwacht, wordt hierin meegenomen.
Aandacht voor de rol van samenwerkingsverbanden
Een terugkerend onderwerp in het debat was de rol van de samenwerkingsverbanden. Vanuit verschillende fracties werden vragen gesteld over regionale verschillen, de ervaren bureaucratie en de toegevoegde waarde van de huidige inrichting.
Ook werd gesproken over de vraag hoe ondersteuning in de toekomst dichter bij scholen georganiseerd kan worden. Daarbij werd onder meer gepleit voor minder complexe administratieve processen en voor ondersteuningsstructuren die minder op afstand van de school staan. De staatssecretaris gaf aan dat de positie en rol van samenwerkingsverbanden onderdeel worden van het transitieplan. Hierbij is gerefereerd aan het rapport 'Over de lijnen en grenzen aan vrijblijvendheid’ van René Peeters.
Thuiszitten, verzuim en samenwerking met zorg
In het debat was ook veel aandacht voor thuiszitten en langdurig verzuim. Kamerleden vroegen om betere cijfers en meer inzicht in de voortgang van het terugdringen van langdurig verzuim, onder meer op het niveau van samenwerkingsverbanden.
De staatssecretaris verwees hierbij naar toekomstige wetgeving over verzuim en wetgeving over maatwerk, waarmee beter zicht moet ontstaan op verzuim en op mogelijkheden om onderwijs beter aan te laten sluiten op de ondersteuningsbehoeften van de leerlingen. Ook de samenwerking tussen onderwijs, gemeenten en lokale teams kwam aan de orde als belangrijke voorwaarde om uitval te voorkomen en leerlingen tijdig passende ondersteuning te bieden.
Voor scholen en besturen onderstreept dit het belang van een goede verbinding met partners rond de school, waaronder jeugdhulp, welzijn en lokale teams. In de kabinetsbrief over de ontwikkeling naar inclusief onderwijs wordt die samenwerking expliciet genoemd als onderdeel van de verdere koers.
EMB en minder administratieve lasten
Ook de positie van leerlingen met ernstig meervoudige beperkingen (EMB) kwam in het debat nadrukkelijk aan bod. Daarbij is gesproken over eenduidige landelijke afspraken over de toelaatbaarheidsverklaring (tlv) - waaronder een landelijk format - een bekostigingscategorie ‘hoog’ en duidelijkheid over de duur van de toelaatbaarheid gedurende de volledige schoolloopbaan.
Tielen gaf aan hierover bestuurlijke afspraken te willen maken met betrokken partijen, zodat deze afspraken beter kunnen worden gevolgd en gehandhaafd. In het debat werd daarnaast breder aandacht gevraagd voor het verminderen van administratieve lasten en voor eenvoudiger procedures waar dat mogelijk is.
Leerlingenvervoer blijft aandachtspunt
Verder kwam ook het leerlingenvervoer aan bod. Kamerleden benadrukten dat passend onderwijs voor een deel van de leerlingen alleen mogelijk is als ook het vervoer betrouwbaar en passend georganiseerd is.
De bewindspersonen verwezen naar de lopende werkagenda en gaven aan dat later dit jaar verdere voortgangsinformatie volgt. Daarmee blijft leerlingenvervoer een belangrijk onderdeel van de bredere randvoorwaarden rond passend en inclusief onderwijs.
Wat laat dit debat zien?
Voor scholen, schoolbesturen en samenwerkingsverbanden laat dit debat vooral zien dat de komende periode in het teken staat van verdere concretisering. De richting naar inclusief onderwijs blijft overeind, en de uitwerking van randvoorwaarden, rolverdeling, financiering en wetgeving krijgt de komende maanden verder vorm.
Belangrijke momenten daarbij zijn de evaluatie van de verbeteraanpak passend onderwijs later in 2026 en het transitieplan dat begin 2027 naar de Tweede Kamer wordt gestuurd. Die momenten kunnen meer duidelijkheid geven over wat de transitie naar inclusief onderwijs in de praktijk gaat betekenen voor scholen, personeel, besturen en samenwerkingsverbanden en hoe zij ondersteund zullen worden bij het vormgeven hiervan.
