Gesprek in de sector nodig over nut, noodzaak en neveneffecten van ‘schaduwonderwijs’

14 oktober 2019

Op 14 oktober stuurde minister Slob de publicatie ‘Aanvullend en particulier onderwijs’ naar de Tweede Kamer, met daarin de resultaten van een vervolgonderzoek naar aanvullend onderwijs in Nederland. Hieruit blijkt onder meer dat de deelname aan (betaalde vormen van) aanvullend onderwijs zich lijkt te stabiliseren. Desalniettemin blijft de rol en positie van aanvullend onderwijs onverminderd vragen oproepen over kansengelijkheid, de opwaartse druk, de verwachtingen van ouders en de voorwaarden van uitbesteding van onderwijstaken; vragen die belangrijk zijn om in de sector nader te bespreken.

Aanvullend onderwijs is het onderwijs dat scholen of andere partijen - met of zonder kosten voor ouders - buiten schooltijd organiseren en dat het reguliere onderwijsprogramma ondersteunt. Met het onderzoek - een vervolg op ‘Licht op schaduwonderwijs’ (2017) – is in kaart gebracht welke vormen er zijn van aanvullend onderwijs in het po en vo, in welke mate er gebruik van wordt gemaakt en wat de motieven hiervoor zijn. Ook is gekeken wat de negatieve gevolgen hiervan kunnen zijn voor onder meer de kansengelijkheid van leerlingen, en hoe we dit kunnen tegengaan. Aanleiding voor de onderzoeken was een motie van GroenLinks. 

Uit het vervolgonderzoek blijkt dat 31% van de leerlingen in het vo in 2018/2019 gebruikmaakte van een vorm van aanvullend onderwijs, 13% van een onbetaalde vorm en 18% van een betaalde vorm. Bijles, huiswerkbegeleiding en examentraining werden het meest ingezet. De deelname aan betaalde vormen van aanvullend onderwijs is tussen de schooljaren 2016/2017 en 2018/2019 gelijk gebleven en lijkt zich te stabiliseren. 

In zijn begeleidende brief schrijft Slob dat aanvullend onderwijs gunstig kan zijn voor de schoolprestaties, motivatie en het zelfvertrouwen van leerlingen, en dat het leraren kan ontlasten als de school hier externe partijen voor inschakelt. Maar tegelijkertijd onderstreept hij dat het gebruik van dit aanvullend onderwijs ook vragen oproept. Zo blijkt uit het onderzoek dat ouders die bijles inzetten voor hun kinderen, dit vaak doen omdat ze ontevreden zijn over de aandacht van de school voor hun kind en de aansluiting van het onderwijs bij zijn of haar onderwijsbehoefte. Ook brengt Slob de groeiende vraag naar bijles in verband met de opwaartse druk in het onderwijs en de toegenomen druk op leerlingen om te presteren die hiervan het gevolg is.

Dit roept de vraag op wat er van het reguliere onderwijs verwacht mag worden. De minister noemt onder meer de deugdelijkheidseisen, maar geeft vooral aan dat een nader gesprek nodig is over de wettelijke normen en het maatschappelijke ambitieniveau van het onderwijs. De uitkomsten van het lopende onderzoek naar de doelmatigheid en toereikendheid van de bekostiging van het funderend onderwijs - waarbij gekeken wordt wat we voor de bekostiging die scholen ontvangen redelijkerwijs mogen verwachten – kan volgens hem een aanknopingspunt hiervoor zijn. De resultaten van dit onderzoek worden in maart 2020 verwacht.

Kansengelijkheid

Uit het onderzoek komt ook naar voren dat vooral leerlingen met hoogopgeleide ouders – die veelal op havo of vwo zitten - gebruikmaken van betaald aanvullend onderwijs (met name bijles). Andere leerlingen maken vooral gebruik van onbetaald aanbod, of krijgen geen aanvullend onderwijs. Dit terwijl zij het wellicht meer nodig hebben omdat ze achterstanden hebben en/of van huis uit minder hulp krijgen. Het (betaalde) aanvullende onderwijs heeft dus negatieve gevolgen voor de kansengelijkheid. De minister stelt dat alle kinderen gelijke toegang moeten hebben tot aanvullend onderwijs, onafhankelijk van de financiële situatie van hun ouders. Het wetsvoorstel van GroenLinks en SP rond de vrijwillige ouderbijdrage kent eenzelfde strekking.

Ook de VO-raad heeft zorgen over de negatieve effecten van aanvullend onderwijs op kansengelijkheid en pleit voor extra investeringen zodat scholen dit kunnen tegengaan. Er zijn goede voorbeelden van scholen die hiermee aan de slag zijn, bijvoorbeeld door zoveel mogelijk maatwerk te bieden en zo de behoefte aan betaald aanvullend onderwijs te minimaliseren. Of door zelf binnen de school voor alle leerlingen kosteloos aanvullend bijles, examentraining en/of huiswerkbegeleiding aan te bieden, waarbij de school de kosten draagt of de kosten worden gedeeld. De VO-raad vindt het belangrijk om nader in gesprek te gaan over wat scholen (nog meer) kunnen doen op dit vlak.

VO-raad voorzitter Paul Rosenmöller: "Nederland heeft een kwalitatief hoogwaardig stelsel van publiek onderwijs. Ouders mogen en kunnen daarop vertrouwen. Ik vind het ongewenst en onnodig dat betaalde vormen van aanvullend onderwijs - zoals bijles - sluipenderwijs tot ‘norm’ worden verheven. We weten allemaal dat dit vooral is weggelegd voor ouders die het kunnen betalen. Vanzelfsprekend zijn er altijd leerlingen die een beentje bij moeten trekken, maar dat zou bij voorkeur binnen de school opgevangen moeten worden. We roepen het kabinet op om scholen meer financiële mogelijkheden te geven om aanvullend onderwijs kosteloos binnen de schoolmuren te organiseren en bepleiten dat scholen zeer terughoudend zijn met het promoten van het aanbod van commerciële aanbieders." 

Samenwerking met private partijen

De minister gaat in zijn brief ook nader in op de samenwerking van scholen met private partijen en noemt hierbij ook het promoten van aanbod van externe aanbieders als risico. Hiermee kan volgens hem de suggestie worden gewekt dat dit aanvullend onderwijs noodzakelijk is voor kinderen. Verder noemt hij als risico van samenwerking dat externe partijen steeds meer diensten gaan overnemen en het primaire onderwijsproces gaan raken, terwijl lessen altijd verzorgd moeten worden door een bevoegde leraar. De VO-raad onderschrijft de boodschap van de minister dat de onderwijssector verder moet nadenken over de voorwaarden waaronder uitbesteding van taken en samenwerking met aanbieders van aanvullend onderwijs van meerwaarde is, en waar de grens ligt tussen wenselijkheid en onwenselijkheid. Ook op dit vlak nemen we graag het initiatief om het gesprek hierover binnen de sector te entameren.