Medezeggenschap: kan het beter?

13 juli 2017

Hoewel de formele medezeggenschap voldoende is ingevuld, kan de dialoog met personeel, ouders en leerlingen beter. Dit is de conclusie van de monitoringscommissie Goed bestuur van de VO-raad op basis van een onderzoek dat zij het afgelopen jaar liet uitvoeren.

In het onderzoek van Kenniscentrum Publieke Zaak (Hogeschool van Arnhem en Nijmegen) is op basis van kwalitatief diepteonderzoek bij drie scholen onderzocht hoe het zit met de medezeggenschap en waar verbetermogelijkheden liggen. De commissie heeft de belangrijkste bevindingen kort hieronder samengevat en gaat hier in het komende half jaar met betrokkenen over in gesprek.

Lees het volledige onderzoeksrapport 'Medezeggenschap onder het vergrootglas'

Medezeggenschap: kan het beter?

Zorgplicht op orde; betrokkenheid van het personeel, leerlingen en hun ouders in en bij de school kan óf moet beter.

Het onderzoek samengevat in 7 vragen:

  1. Waarom dit onderzoek?
    Het HAN Kenniscentrum Publieke Zaak heeft op verzoek van de monitoringscommissie Goed Bestuur VO een drietal casestudies gedaan naar het functioneren van de medezeggenschap ((G)MR), zoals beschreven in de Wet medezeggenschap op scholen. De onderzoekers keken specifiek naar:
    · Hoe functioneert de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad in het licht van zijn taak/rol zoals beschreven in de Wet medezeggenschap op scholen?
    · Hoe kunnen ouders, leerlingen en professionals anders dan via de medezeggenschap hun invloed uitoefenen en participeren?
    · Hoe vervult het bestuur zijn zorgplicht hierin en hoe en aan wie legt het bestuur hierover verantwoording af?
    · Hoe ziet de Raad van Toezicht toe op de horizontale dialoog en zorgplicht?

    Naast de feitelijke beschrijving van deze vragen is ook gekeken naar de waardering die de belanghebbende partijen hebben voor hun invloed en participatie.
     
  2. Wat is de hoofdconclusie?
    De drie besturen hebben hun bestuurlijke zorgplicht op orde. Zij maken stukken inzichtelijk, zorgen voor scholing, stellen hun staf beschikbaar voor toelichting en vullen andere secundaire voorwaarden in voor een goede medezeggenschap. Wel kan worden aangetekend dat het faciliteren van de ouders en leerlingen minder aandacht krijgt. Ook de leden van de (G)MR) zelf zijn over het algemeen tevreden met de facilitering en de mate waarin ze betrokken worden door het bestuur. Hoewel de formele medezeggenschap hiermee voldoende is gepositioneerd binnen de school, leeft tegelijkertijd het gevoel dat het beter kan en eigenlijk ook wel beter moet. Vooral omdat essentiële stakeholdergroepen niet echt betrokken zijn in en bij de school, terwijl dat wel zou moeten.
     
  3. Hoe zit het met de participatie van leerlingen en ouders?
    Leerlingenparticipatie binnen de formele medezeggenschap komt slechts mondjesmaat van de grond. De zaken die in de vergaderingen besproken worden staan ver af van de belevingswereld van de leerlingen. Daarbij komt dat de leerlingen die wél deelnemen nauwelijks een afspiegeling zijn van de leerlingenpopulatie. Ze zijn vooral afkomstig uit de afdelingen havo/vwo en zitten in de hogere leerjaren. Wel zijn leerlingen op andere manieren betrokken bij de school, bijvoorbeeld in een leerlingenraad.

    Ook de deelname van ouders in de (G)MR komt niet volledig uit de verf. Soms profiteren scholen van de specifieke expertise van bepaalde ouders, maar vaak zijn ouders niet via deze formele kanalen betrokken bij de school. Als zij betrokken zijn is dat – net als bij leerlingen – vaker in een meer informele setting. Daarbij geldt dat het betrekken van ouders met een lager opleidingsniveau of een niet-westerse achtergrond in de praktijk lastig is.

    Doordat de participatie van leerlingen en ouders achterblijft, ontstaat het beeld dat het personeel onevenredig vertegenwoordigd is binnen de medezeggenschap. Scholing van het personeel van de MR gebeurt over het algemeen via de vakbonden. Leerlingen en ouders worden hierin minder expliciet gefaciliteerd, al bestaat voor hen ook een aanbod via het LAKS en Ouders en Onderwijs. Aan de andere kant wordt ook – misschien zelfs vooral – buiten de formele medezeggenschap om gezocht naar goede vormen voor een horizontale dialoog.
     
  4. Waar liggen andere aandachtspunten voor de (G)MR?
    Het lukt de geledingen van de MR lang niet altijd goed zicht te hebben op de wensen van de achterban. Raadpleging gebeurt meestal informeel en ad hoc. Zeker wanneer het de (G)MR betreft is dit een belangrijk aandachtspunt. Daarnaast vervult de (G)MR binnen de beleidscyclus vaak een reactieve, controlerende rol. Zij reageren op voornemens van de schoolleiding en het bestuur. Er is een zekere terughoudendheid om ook aan de voorkant betrokken te zijn, om op die manier in een later stadium niet gecommitteerd te zijn aan eerdere uitspraken.
     
  5. Hoe problematisch is dat?
    Onderwijsinstellingen hebben zich in de afgelopen decennia ontwikkeld van wettelijke taakuitvoerders naar relatief autonome instellingen. Zij zijn er daarmee zelf voor verantwoordelijk om samen met hun primaire belanghebbenden – personeel, leerlingen en hun ouders – te definiëren hoe zij publieke waarde creëren. Het is daarom van groot belang om een gevarieerde groep personeel, leerlingen en ouders te betrekken bij het vormgeven van beleid. Als dit te weinig gebeurt, is op dat punt wel verbetering nodig.
     
  6. Welke aanknopingspunten levert dit onderzoek op?
    De monitoringscommissie ziet op basis van het onderzoek volop kansen om de medezeggenschap verder te versterken. Zij raadt besturen aan om samen met de medezeggenschap te reflecteren op:
    · Het beter in balans brengen van de invloed, inbreng en facilitering van ouders en leerlingen;
    · Hoe bij de werving van nieuwe leden de representativiteit van ouders en leerlingen kan worden verhoogd;
    · Hoe de (G)MR de vertegenwoordiging van de achterban kan versterken door deze te raadplegen;
    ·En als laatste en misschien wel de meest belangrijke, de rol die medezeggenschap vervult. Ziet de MR zich als controleur? Of wil de MR ook aan de voorkant meedenken, beleid initiëren of minimaal beïnvloeden? En zo, niet hoe zou het bestuur dit wel kunnen borgen?

    De zorgplicht moet echter niet verworden tot een ‘verzorgingsplicht’. Een goede medezeggenschap moet in staat worden geacht haar rol goed in te vullen en daarmee een volwassen gesprekspartner te zijn voor het bestuur/schoolleiding.

    Een suggestie is om de horizontale dialoog voor een deel bewust buiten de formele vergaderingen met de medezeggenschap om te organiseren. Voor het afleggen van verantwoording (achteraf) lijkt de medezeggenschap het meest voor de hand te liggen, maar voor het verzamelen van input, het ophalen van feedback en het creëren van draagvlak zijn mogelijk (ook) andere vormen te vinden. In het onderzoek komen genoeg voorbeelden naar voren: leerling- en ouderraden, klankbordgroepen of op een meer thematische manier. Daarmee gaat de horizontale dialoog waarschijnlijk voor een deel aan de formele medezeggenschap vooraf. Het is goed om dit bespreekbaar te maken tussen schoolleiding en de medezeggenschap. Welke rol wil de medezeggenschap spelen en hoe wil zij betrokken worden bij het ophalen van input/feedback/draagvlak binnen andere, meer informele vormen binnen de organisatie?
     
  7. Wat gaat de monitoringscommissie Goed Bestuur VO hier nu verder mee doen?
    In de Code Goed Onderwijsbestuur VO is als lidmaatschapseis opgenomen dat ‘het bestuur zorgt dat de doelstellingen en de aanpak van de horizontale dialoog met externe stakeholders in de organisatie worden geformaliseerd, verankerd, onderhouden en vermeld in het jaarverslag’. Het onderzoek leert de monitoringscommissie dat hier een veelvormige werkelijkheid achter schuilgaat. In het schooljaar 2017/2018 zal de commissie daarom explicieter onderzoek gaan doen naar die horizontale dialoog: hoe geef je deze op een effectieve manier vorm? Ook zal de commissie de rol van het intern toezicht ten opzichte van die dialoog nader onderzoeken. Scholen die mee willen doen aan dit onderzoek kunnen zich voor 1 september aanmelden.

Achtergrond bij het onderzoek

Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van een drietal diepte-casestudies in verschillende contexten, namelijk bij (1) een kleine 'eenpitter', (2) een middelgrote schoolorganisatie in de Randstad en (3) een grote schoolorganisatie in de regio Nijmegen.

De monitoringscommissie realiseert zich dat de uitkomsten van het onderzoek – vanwege de beperkte steekproef – niet representatief zijn voor de gehele sector. Toch concludeert zij mede op basis van de eigen ervaringen, en het gesprek over dit onderwerp in de vereniging, dat het in het onderzoek geschetste beeld op z’n minst illustratief is voor de staat van medezeggenschap op veel scholen.