Rondetafelgesprek herziening curriculum: consensus over noodzaak

14 april 2017

In de eerste rondetafelgesprekken met Tweede Kamerleden over de curriculumherziening (Onderwijs2032) blijkt er consensus te zijn over de noodzaak tot een curriculumherziening. De motivatie van leerlingen wordt gezien als belangrijke aanjager voor de urgentie van inhoudelijke wijzigingen in het curriculum.

Ook zijn de huidige kerndoelen niet actueel; bijstelling van het curriculum gebeurt ad hoc en leidt tot versnippering en overladenheid. Meerdere politieke partijen gaven aan dat er nog goed gekeken moet worden naar de rol van vakverenigingen en lerarenopleidingen en naar de inbreng van het vervolgonderwijs.

Bekijk de deelnemende onderwijsorganisaties en hun ingediende position papers

onderwijsvertegenwoordigers Onderwijsvertegenwoordigers op de foto (vlnr): Hein van Asseldonk (VO-raad), Harold Bekkering (hoogleraar Cognitieve Psychologie aan de Radboud Universiteit), Ernst-Jan Stigter (Nederland ICT), Jilles Veenstra (FvOv), Aad van der Drift, Platform Vakverenigingen Voortgezet Onderwijs (VVVO)

Iedereen was het er over eens dat bij curriculumherziening 'het wat' en 'het hoe' goed gescheiden moeten blijven. Wat moeten leerlingen kennen en kunnen wordt vertaald in vakinhoud, vakkennis en vaardigheden. Samenhang daartussen kan gevonden worden door meer verbinding tússen vakken en vakgebieden te zoeken. Hóe dat gebeurt, is aan de scholen zelf.

Met name Beter Onderwijs Nederland (BON) zette in op een stevigere rol van het vervolgonderwijs door aan te geven dat een herziening in het funderend onderwijs samenhangt met alle onderwijssectoren.

Ontwikkelteams met ‘tussenproducten’

Ook waren de deelnemers aan de rondetafel het eens over de inrichting van een vervolgfase met ontwikkelteams en ontwikkelscholen. Er komt nog geen eindproduct, maar ontwikkelteams maken tussenproducten waarmee docenten en teams aan de slag kunnen in de scholen. Ontwikkelscholen krijgen daarbij een grote rol.  Benadrukt werd dat curriculumontwikkeling een cyclisch en continu proces is. De Onderwijscoöperatie gaf daarbij het belang aan van een centrale positie van leraren bij curriculumontwikkeling en stelde dat de randvoorwaarden daarvoor op orde moeten zijn. Zíj moeten voldoende tijd, ruimte, verantwoordelijkheid en vertrouwen krijgen. De VO-raad benadrukte dat daarom de ontwikkeltijd nu écht geregeld moet gaan worden.

Werkwijze fundamenteel anders: scholen en leraren zijn eigenaar van het proces.

De Tweede Kamer liet zich niet zomaar overtuigen en vroeg op een aantal punten stevig door. Zo wilde men weten waarom partijen die het voorstel voor het vervolg hebben ingediend er van overtuigd zijn dat het gaat slagen. De VO-raad en PO-raad gaven op die vraag de Tweede Kamer mee dat de werkwijze fundamenteel anders is dan we gewend zijn uit het verleden; Scholen en leraren zijn eigenaar van het proces, zij gaan het doen en het is geen plan dat door een commissie buiten het onderwijs is bedacht.

Door de geruisloze invoering van de beroepsgerichte vakken in het vmbo als voorbeeld te nemen maakte voorzitter van het Platform vmbo Jan van Nierop ook duidelijk dat het onderwijsveld uitstekend in staat is een fundamentele herziening tot stand te brengen als deze ‘van onderop’ en in samenwerking met het vervolgonderwijs wordt ingezet. Op de vraag vanuit de Tweede Kamer of het vmbo dan nog wel zit te wachten op weer een herziening, antwoordde hij bevestigend en liet weten dat de algemeen voorbereidende vakken nu door middel van het ‘theezakjesmodel’ (waarbij het vmbo een aftreksel is van het vwo)  zijn opgetuigd en dat het vmbo juist een eigen curriculum verdient.