Slob schetst beoogd vervolgproces curriculumherziening

20 augustus 2021

Het is belangrijk om de huidige impasse in de curriculumbijstelling te doorbreken en dit proces door te zetten; er moet snel van start worden gegaan met de ontwikkeling van vernieuwde kerndoelen voor het po en de onderbouw vo, en de vakvernieuwingen in de bovenbouw vo. Dit heeft demissionair minister Slob benadrukt in een brief die deze zomer aan de Tweede Kamer is gestuurd, waarin hij antwoord geeft op gestelde Kamervragen over onder meer dit traject.

In zijn brief onderstreept Slob opnieuw de urgentie van de herziening van de kerndoelen. ‘De huidige kerndoelen zijn verouderd. Het is noodzakelijk dat de scholen met de kerndoelen duidelijker krijgen wat mag en wat moet. Dit draagt bij aan focus, tijd en ruimte voor leraren en een doelgericht programma voor leerlingen, en komt uiteindelijk de kwaliteit van het onderwijs en kansengelijkheid voor leerlingen ten goede’. De VO-raad onderschrijft dit belang en vindt ook dat er snel vervolgstappen gemaakt moeten worden.  

Vervolg 

Met het positieve advies van de wetenschappelijke curriculumcommissie over de bruikbaarheid van de voorstellen voor curriculumherziening, is het traject Curriculum.nu afgerond, aldus de minister. Hij wil nu verder gaan met de daadwerkelijke bijstelling van de kerndoelen voor het po en de onderbouw vo, en de vakvernieuwingen in de bovenbouw van het vo. 

Wat betreft de vakvernieuwing bovenbouw vo is - naar aanleiding van een motie van de Kamer - sprake van een gefaseerde aanpak en worden eerst Nederlands, wiskunde, de moderne vreemde talen, maatschappijleer en de bètavakken vernieuwd. Om de samenhang tussen vakken wel zoveel mogelijk te borgen, is er een heldere werkopdracht voor SLO gemaakt met enkele gemeenschappelijke ontwerpprincipes. Zo vindt er bij actualisatie van de examenprogramma’s afstemming plaats tussen verwante vakken en worden de examenprogramma’s voor vmbo, havo en vwo van een bepaald vak gelijktijdig bijgesteld door één vakvernieuwingscommissie. Dit laatste is onder andere relevant voor de verbetering in de aansluiting tussen vmbo en havo, juist om drempels voor leerlingen weg te nemen in die overstap.

Voor de ontwikkeling van de nieuwe kerndoelen po en onderbouw vo is een integrale aanpak van alle leergebieden en de doorlopende leerlijn van belang, aldus de minister. 

Beperkte belasting scholen  

Om scholen niet te veel te belasten, worden leraren uiteraard ingezet bij de herziening van de kerndoelen, maar in beperkte aantallen, aldus de minister. En wordt er zeker feedback opgehaald bij een grotere groep leraren, maar zal dit op een efficiëntere wijze gebeuren. Anders dan voorheen zal er bijvoorbeeld in de aanpak voor de bovenbouw vo veel gerichter worden gewerkt met kleinere advieskringen en een sterkere rol voor vakverenigingen. Hiervoor zullen de vakverenigingen ook worden gefaciliteerd, en op gezette momenten zullen de betrokken organisaties hun achterban kunnen informeren en consulteren over de voortgang.

Verder schrijft de minister dat de beproeving van (concept)kerndoelen voor het po en de onderbouw vo, in de praktijk pas vanaf 2023 zal plaatsvinden. Deelname aan pilots op dit vlak is ook altijd vrijwillig voor scholen. 

Op korte termijn verbeteren basisvaardigheden 

Parallel aan het traject van de curriculumherziening wordt ondertussen ook hard doorgewerkt aan het verbeteren van de basisvaardigheden - wat ook blijkt uit het Leesoffensief en het Nationaal Programma Onderwijs -, zo geeft de minister aan. Hij benadrukt dat dit belangrijk is om nu al te doen, voor het inlopen van eventuele leervertragingen nu en ook voor het later implementeren van een verbeterd curriculum. Zo blijven bijvoorbeeld taal- en rekenvaardigheden altijd essentieel om andere lesstof aan te leren en daarbij zullen deze vaardigheden niet wezenlijk veranderen. 

Ook bij de ontwikkeling van de kerndoelen is er extra aandacht voor de basisvaardigheden, schrijft de minister. 

In de beantwoording van de vragen van de Kamer verwerkt de minister veel informatie. Een aantal belangrijk zaken staat hieronder. 

  • Burgerschap zal gaan landen in de vakvernieuwing van maatschappijleer. Maatschappijleer zal een grote deel van het curriculum gaan beslaan.
  • Het examenprogramma zal over de inhoud en omvang gaan en het examen over de afsluiting.
  • De eerste tranche vakvernieuwing in de bovenbouw vo zal gaan om Nederlands, moderne vreemde talen, rekenen en wiskunde en de bètavakken en maatschappijleer.
  • N.a.v. een motie is al gekeken naar de vraagtypen van het examen Nederlands en is de cesuur van de vakken Frans en Duits tijdelijk aangepast.
  • Nieuwe referentiekaders en nieuwe kerndoelen moeten tegelijk met elkaar ontwikkeld worden omdat ze met elkaar moeten kloppen.
  • In de opdracht aan SLO voor het vervolg wordt uitdrukkelijk de borging van samenhang tussen de vakken en de doorgaande lijn meegegeven.


Publicaties 

Recentelijk is ook een aantal relevante publicaties rond de curriculumvernieuwing verschenen, die de minister meestuurt met zijn brief: 

Derde tussenadvies Curriculumcommissie ‘Examenprogramma’s in perspectief’

In het derde tussenadvies ‘Examenprogramma’s in perspectief’ reflecteert de Curriculumcommissie op de concept werkopdracht aan SLO voor de bijstelling van examenprogramma’s. Zij concludeert dat de werkopdracht voor het bijstellen van examenprogramma’s hanteerbaar is en adviseert onder andere aanscherping op twee punten:
 

  • Het toewerken naar een gemeenschappelijke architectuur voor de examenprogramma’s. De Curriculumcommissie heeft een toetsingskader opgesteld dat hierbij kan helpen.
  • Ook vraagt zij aandacht voor een meer eigenstandige betekenis van het schoolexamen in het opstellen van eindtermen. Ofwel de eindtermen zijn niet bedoeld om gelezen te worden als wat er getoetst moet worden en het curriculum in de bovenbouw mag niet beheerst worden door het examenmoment. Ook zou er meer balans tussen kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming in de eindtermen moeten zijn. Het SE is niet bedoeld als voorbereidingsmoment voor het CE, maar geeft wel de mogelijkheid meer gevarieerde toetsvormen in te zetten. Bepaalde doelen van het onderwijs – bijvoorbeeld de persoonsvormende – lenen zich meer voor toetsing in een schoolexamen. De commissie juicht het toe als scholen worden aangemoedigd de ruimte te benutten om hieraan vorm te geven. Het is uiteindelijk de school die een visie op onderwijskwaliteit en toetsing realiseert.
     

Verder merkt de commissie op dat de ontwerpruimte als voorgesteld door SLO aansluit bij de huidige praktijk. De commissie acht dat een verstandige keuze. Wel merkt ze op dat de hoeveelheid routes en profielen gecompliceerd aan het worden is en dat de vraag naar vereenvoudiging zich aandient. De verdeling van de ontwerpruimte in de bovenbouw vo zou in de toekomst opnieuw tegen het licht kunnen worden gehouden. Overigens merkt de commissie op dat overladenheid in het curriculum niet alleen een kwantitatief maar ook een kwalitatief vraagstuk is. 

Verdiepende studie ‘Kaders voor kansen’

In de verdiepende studie ‘Kaders voor kansen’ reflecteert de Curriculumcommissie op het 'Beoordelingskader kansengelijkheid taal en rekenen' dat conform motie Van Meenen/ Kwint is opgesteld door SLO. 

De commissie beantwoordt in de studie de volgende centrale vraag: aan welke criteria moet een curriculum voldoen dat kansengelijkheid bevordert en ongelijkheid van kansen tegengaat? Ze gaat daarbij niet in op de uitvoeringsaspecten. Kansengelijkheid hangt bijvoorbeeld samen met de wijze waarop scholen en leraren bij de inhoudelijke invulling van het curriculum rekening houden met de eigen leerlingenpopulatie en schoolomgeving, en wordt ook bepaald door leerkrachtkwaliteiten en –verwachtingen, didactiek en een veilig klimaat voor alle leerlingen.

​Haar belangrijkste aanbevelingen zijn:

  • Het door SLO opgestelde beoordelingskader functioneert voor de gebieden taal en rekenen, maar dient te worden verbreed naar het hele curriculum. 
  • Een dergelijk breder kader voor een curriculum dat kansengelijkheid bevordert kan worden opgebouwd aan de hand van negen criteria.
     

Deze negen criteria bevatten onder andere het belang van een soepele doorlopende leerlijn, met aandacht voor diversiteit in de formulering van kerndoelen en ruimte voor meertaligheid.