Zuinige reactie minister op advies over krimp in het vo

06 maart 2019

Krimp in het voortgezet onderwijs heeft een brede maatschappelijke impact en vraagt om snel en adequaat ingrijpen. Dat stelt de commissie Dijkgraaf die in opdracht van minister Slob de impact van de leerlingdaling in kaart heeft gebracht. De commissie adviseert onder andere een maatwerkaanpak, waar extra financiële ondersteuning onderdeel van uit kan maken. Minister Slob focust in zijn reactie op het advies echter eenzijdig op de rol van schoolbesturen en toont zich terughoudend als het gaat om extra financiële ondersteuning.

De VO-raad is blij met de urgentie die het advies van de commissie Dijkgraaf uitstraalt. Het advies sluit aan bij de eerdere oproep van de VO-raad om scholen beter te ondersteunen en ervoor te zorgen dat alle leerlingen in Nederland thuisnabij en goed onderwijs kunnen ontvangen, ongeacht de plek waar zij wonen. In grote delen van Nederland is sprake van sterke krimp. Het hele voortgezet onderwijs zal gemiddeld met 12% dalen, maar in sommige gebieden is dit meer dan 30%. Omdat de financiering van het voortgezet onderwijs afhankelijk is van het aantal leerlingen, kan leerlingendaling negatieve gevolgen hebben voor de breedte van het onderwijsaanbod, de kwaliteit van het onderwijs en de betaalbaarheid. Dit kan ook leiden tot onacceptabele reistijden voor leerlingen. 

Paul Rosenmöller, voorzitter VO-raad: “De commissie heeft een urgent advies geschreven waarin zij terecht zowel schoolbesturen als overheid aanspreekt om de krimp in het vo het hoofd te bieden. Het is teleurstellend dat de minister zich zo terughoudend opstelt als het gaat om wat volgens de commissie van de overheid verwacht mag worden.” 

Maatwerk in ondersteuning

De commissie pleit voor maatwerk als uitgangspunt voor de oplossingen voor leerlingendaling en adviseert een maatwerkregeling, waarvoor schoolbesturen in krimpregio’s in aanmerking kunnen komen op basis van een regionaal plan. Flexibiliteit in de handhaving van de regelgeving en extra financiële middelen kunnen worden toegekend als in het plan aangetoond wordt dat dit nodig is voor een goede oplossing. Dit kan een tijdelijke tegemoetkoming voor transitie zijn of een structurele beschikbaarheidstoelage. De commissie schat in dat een bedrag van maximaal €100 miljoen per jaar nodig zal zijn, voor een periode van ten minste vijf jaar. 

De VO-raad is positief over de plannen voor maatwerk omdat daarmee recht gedaan kan worden aan de verschillen tussen regio’s en scholen, en schoolbesturen in een regio daarmee ook gestimuleerd worden om samen te werken. Het project regionale samenwerking van de VO-raad ondersteunt scholen en besturen hierbij. Informatievoorziening over de situatie per regio speelt in dit project ook een belangrijke rol.

Slob wil helaas niet verdergaan dan een onderzoek naar hoe een maatwerkregeling eruit zou kunnen zien en toont zich in eerste instantie terughoudend over extra financiele steun aan scholen.

Verantwoordelijkheid schoolbesturen

Daarnaast adviseert de commissie dat er meer mogelijkheden komen om het handelen van besturen in krimpsituaties te kunnen sturen en waar mogelijk in te grijpen, onder andere door de bredere verantwoordelijkheid op te nemen in de Code Goed Onderwijsbestuur VO. De commissie adviseert op dit punt ook dat besturen moeten kunnen aantonen dat het onderwijsaanbod niet in gevaar komt en hen anders een krimptoets met een aantal verplicht te nemen stappen op te leggen.

Tot slot moet een algemene toets op krimpbestendigheid van nieuwe regelgeving voorkomen dat die onbedoelde effecten op het onderwijs in krimpregio’s heeft.

Aandacht voor laatste school en stapeling van effecten

De VO-raad onderschrijft het advies van de commissie voor extra financiële steun die nodig is voor scholen die als enige en laatste school het onderwijs voor leerlingen in een regio verzorgen en voor scholen die door een combinatie van krimp, het gewijzigd bekostigingsmodel en een herverdeling van middelen in de problemen komen. De VO-raad heeft hier al eerder aandacht voor gevraagd

De VO-raad deelt de mening dat schoolbesturen tijdig moeten anticiperen op de leerlingendaling en hiervoor gezamenlijk oplossingen moeten zoeken. Bestuurders mogen daarbij steviger worden aangesproken op hun bovenbestuurlijke maatschappelijke verantwoordelijkheid. Om de adviezen uit te voeren, is meer ondersteuning vanuit de overheid nodig. Daarnaast waarschuwt de VO-raad dat gewaakt worden voor het ontstaan van overmatige bureaucratie in de uitwerking van de adviezen. Het is zeer onwenselijk dat er na het afschaffen van de fusietoets weer nieuwe regelingen ontstaan die scholen buitensporig belasten.