De inzet en aandacht voor regionale samenwerking blijft onverminderd van belang

10 juni 2021

Op 8 juni 2021 heeft minister Slob de Kamer geïnformeerd over de voortgang van de uitwerking van de adviezen van de commissie-Dijkgraaf. De minister constateert dat in veel regio’s de gesprekken tussen besturen over samenwerking inmiddels op gang zijn gekomen, maar dat dit zich vaak nog beperkt tot praktische zaken die veelal ingegeven zijn vanuit het eigen belang van de organisatie. Het gesprek over hoe gezamenlijk in de regio een dekkend en passend onderwijs aangeboden kan worden, vindt nog in mindere mate plaats. De minister is van plan de besturen de komende tijd hierin te blijven ondersteunen en wijst daarbij ook op de succesvolle inzet van de VO-raad en het project regionale samenwerking.

Wegnemen van wettelijke belemmeringen

Naast de financiële versterking via de subsidieregeling incidentele middelen leerlingendaling vo en de structurele regeling aanvullende bekostiging voor geïsoleerde scholen, gaat de minister aan de slag met twee oplossingsrichtingen voor het wegnemen van wettelijke belemmeringen om samenwerking op vestigingsniveau te versterken.

Ten eerste gaat hij onderzoeken hoe het Regionaal Plan Onderwijsvoorzieningen (RPO) meer toekomst- en regionaalgericht kan worden ingericht. Een verplichte deelname aan een RPO heeft volgens de minister weinig toegevoegde waarde, omdat de kwaliteit én de uitkomst van de samenwerking of het overleg niet afdwingbaar zijn. Ook de VO-raad werkt momenteel aan het in kaart brengen van regionale data over onderwijsvoorzieningen, leerlingprognoses, demografische ontwikkelingen en randvoorwaarden die input kunnen zijn voor een meer beleidsrijk gesprek in de regio.  

Ten tweede gaat de minister onderzoeken of het introduceren van sluitingscompensatiemiddelen voor vo-nevenvestigingen passend en wenselijk is binnen het stelsel. Mogelijk kan de vaste voet die vrijvalt door het sluiten van een vestiging worden ingezet voor het versterken van het onderwijs in de regio. 

Het verruimen van de 50%-regel en het inschrijven van leerlingen op twee scholen of vestigingen acht de minister niet wenselijk. Wel blijkt dat scholen behoefte hebben aan informatie over de mogelijkheden om de 50%-regel vorm te geven. Hier gaat de VO-raad samen met het ministerie vervolg aan geven. 

Maatschappelijke verantwoordelijkheid bestuurders

De minister heeft verkend of verankering van de bredere maatschappelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van het onderwijsaanbod in de wet wenselijk en mogelijk is. Dit zou echter een herziening van de verantwoordelijkheidsverdeling binnen het stelsel vergen of leiden tot tegengestelde bepalingen in de wet ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor het onderwijsaanbod. Datzelfde geldt wanneer de mogelijkheid tot het uitvoeren van een krimptoets in de wet zou worden opgenomen, waarmee schoolbesturen moeten aantonen dat het onderwijsaanbod in de komende tien jaar niet in gevaar komt. De bredere maatschappelijke verantwoordelijkheid van besturen is wel opgenomen in de Code Goed Onderwijsbestuur VO: “Besturen hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een regionaal dekkend, kwalitatief hoogstaand en zo divers mogelijk onderwijsaanbod. Vanuit die verantwoordelijkheid pakken zij regionale vraagstukken gezamenlijk op.”

Inzet VO-raad

In de kamerbrief wordt meerdere keren de inzet van de VO-raad, het project Regionale Samenwerking en de ledenadviseurs krimp & regionale samenwerking genoemd. Het diverse ondersteuningsaanbod van de VO-raad blijkt een constructieve manier om de gesprekken tussen besturen over samenwerking op gang te brengen en contextuele impasses te doorbreken. De VO-raad blijft hier dan ook op inzetten in de komende jaren.