Kabinet schetst hoofdlijnen ‘masterplan basisvaardigheden’

12 mei 2022

Minister Wiersma heeft in een brief aan de Tweede Kamer de hoofdlijnen geschetst van het ‘masterplan basisvaardigheden’, waarmee het kabinet structureel 1 miljard op jaarbasis investeert in taal, rekenen/wiskunde, burgerschap en digitale geletterdheid in het funderend onderwijs. De minister kiest daarin voor een gecombineerde aanpak op de korte en de lange termijn en stelt hier structureel geld voor ter beschikking. Ook heeft hij nadrukkelijk oog voor de randvoorwaarden, zoals ruimte en tijd voor leraren en schoolleiders en voor onderwijsresultaten in bredere zin, zoals motivatie en welbevinden van leerlingen. De VO-raad steunt deze aanpak en heeft er vertrouwen in dat de nadere uitwerking van het masterplan, die voor deze zomer wordt aangekondigd, dezelfde evenwichtige benadering kent.

De minister kiest voor een brede definitie van basisvaardigheden, waaronder hij taal, rekenen/wiskunde, burgerschap en digitale geletterdheid schaart. Vo-scholen hebben een belangrijke opdracht om jongeren een goed fundament mee te geven voor hun toekomst. Beheersing van de genoemde basisvaardigheden maakt hier een belangrijk onderdeel van uit en is tegelijkertijd essentieel voor leerlingen om zich de andere leergebieden en vakken eigen te maken. ‘Het masterplan basisvaardigheden moet gericht zijn op de lange termijn (meer dan tien jaar), en logisch aansluiten op andere programma’s zodat deze elkaar versterken,’ schrijft de minister. Hiermee kiest hij een meer realistische benadering dan de Inspectie die bij verschijning van 'De Staat van het Onderwijs 2022' bepleitte om de basisvaardigheden in twee jaar op orde te brengen. Voor deze langetermijnaanpak schetst de minister vijf pijlers die in de nadere uitwerking van het masterplan centraal staan. Dit zijn:

  • extra tijd en ruimte voor kwalitatief goede leraren;
  • kennis en beschikbaarheid van effectieve leermiddelen; 
  • een goede aansluiting en gedeelde verantwoordelijkheid tussen school en omgeving (ouders, kinderopvang, bibliotheken);
  • door middel van onderzoek en monitoring goed zicht krijgen op de resultaten van basisvaardigheden en effectieve interventies;
  • het ontwikkelen van een goed, landelijk curriculum, zodat het onderwijs een heldere opdracht heeft.
     

Naast deze aanpak op de lange termijn stelt de minister ook subsidie ter beschikking voor scholen die op de korte termijn aan de slag willen met het verbeteren van het onderwijs in basisvaardigheden. Deze subsidiemaatregel zal naar verwachting na de zomervakantie worden opengesteld. Een selecte groep scholen kan daarbij ook een beroep doen op expertondersteuning in de vorm van een zogenaamde basisteam. 

Grote diversiteit 

De minister geeft in zijn brief aan dat de uitgangssituatie van de vier basisvaardigheden onderling en tussen onderwijs- en schoolsoorten sterk verschilt. De VO-raad benadrukt het belang van een goede aansluiting van de aanpak voor de basisvaardigheden op de specifieke situatie en context van vo-scholen. De verschillen tussen scholen, tussen schoolsoorten en tussen leerlingen op het gebied van basisvaardigheden zijn groot. We vinden het belangrijk dat scholen vanuit de eigen context accenten kunnen leggen en een eigen aanpak kunnen kiezen die past bij de visie van de school en de behoeften van de eigen leerlingenpopulatie. De ‘menukaart’ waarmee scholen vanuit het Nationaal Programma Onderwijs (NPO) ervaring hebben opgedaan en die in de sector breed is omarmd, biedt bij uitstek de mogelijkheid om dat op wetenschappelijk geschoeide leest te doen.  

Weinig zicht op ontwikkelingen en oorzaken 

Aandachtspunt is dat er maar weinig zicht is op de oorzaken van het achterblijven van de basisvaardigheden en de ontwikkeling daarin in het voortgezet onderwijs. De VO-raad onderschrijft nadrukkelijk het belang om voor het vo beter zicht te krijgen op de prestaties van leerlingen en oorzaken van de problematiek, zodat scholen, waar nodig, beter kunnen bijsturen. Wel plaatsen wij kanttekeningen bij de in het masterplan beoogde rol van het toezicht bij scholen die er niet in slagen om de prestaties op de basisvaardigheden te verbeteren. Het bestaande onderwijsresultatenmodel voor het vo heeft voornamelijk betrekking op de route en het tempo waarin leerlingen het vo doorlopen (zittenblijven, op- en afstroom) en geeft geen beeld van de prestaties op de basisvaardigheden. Dat maakt het moeilijk voor scholen en de Inspectie als extern toezichthouder om problemen te signaleren en bij te sturen.

Ontbreken van ijkpunten 

Voor het voortgezet onderwijs zijn er geen heldere kerndoelen voor de onderbouw; daarmee ontbreekt het scholen aan een landelijk ‘ijkpunt’ voor de verwachte beheersing van de basisvaardigheden. Voor basisvaardigheden als burgerschap en digitale geletterdheid zijn zelfs nog helemaal geen onderwijsdoelen geformuleerd en is er slechts sprake van een beperkte monitoring. De minister constateert dan ook terecht: ‘Je kunt de lat voor de basisvaardigheden niet verhogen, als er geen duidelijke lat is. Een duurzame kwaliteitsverbetering van de basisvaardigheden is dan ook niet mogelijk zonder een goed en helder landelijk curriculum. Dat geldt in brede zin: de basisvaardigheden zijn onlosmakelijk verbonden met het curriculum van andere leergebieden/vakken, en het is nodig dat het duidelijk wordt voor scholen wat ze niet hoeven te doen.’ 

De herziene kerndoelen – een traject waar de Tweede Kamer nu gelukkig groen licht voor heeft gegeven – moeten scholen en leraren in de toekomst meer houvast bieden bij wat er verwacht wordt dat leerlingen kennen en kunnen. De VO-raad heeft aangedrongen op voortvarendheid in dat traject en maximale transparantie en duidelijkheid richting scholen in de tussentijd. 

Leesvaardigheid als maatschappelijk zorgenkind 

Helder is dat er voor het vo een grote uitdaging ligt op het gebied van leesvaardigheid en dan vooral het vermogen van jongeren om diep en kritisch te kunnen lezen. Ook de geringe leesmotivatie van jongeren baart zorgen. De teruglopende leesvaardigheid en het gebrek aan leesplezier is onderdeel van een maatschappelijke trend die aandacht vraagt van scholen, maar door het onderwijs alleen niet gekeerd kan worden. De minister ziet dan ook – naast een vroege start bij de allerjongsten – een belangrijke rol weggelegd voor ouders en partners om de school zoals gemeenten en bibliotheken, en wil intensievere samenwerking tussen onderwijs en omgeving stimuleren.

De VO-raad onderschrijft de gedeelde verantwoordelijkheid en het belang van samenwerking in deze, en pleit daarnaast voor gericht onderzoek naar de onderliggende oorzaken van de teruglopende leesvaardigheid en gerichte antwoorden hierop. Vanwege de zorgen omtrent leesvaardigheid heeft de VO-raad reeds samen met de PO-Raad en het NRO de Kennistafel Effectief Leesonderwijs ingericht. Doel van de kennistafel is om onderzoek en de onderwijspraktijk beter op elkaar te laten aansluiten. Ook wordt – onder regie van de kennistafel – door de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit van Leiden onderzoek gedaan naar effectieve interventies op het gebied van leesonderwijs.