Tweede Kamer pleit voor structurele investeringen in het onderwijs

08 juni 2021

Het Nationaal Programma Onderwijs (NPO) is een belangrijke kapitaalinjectie om de vertragingen in het onderwijs weg te werken, maar er zijn structurele investeringen nodig om het lerarentekort, de kansenongelijkheid en de teruglopende leesvaardigheid in het onderwijs op te lossen. Hierover waren alle fracties eensgezind, tijdens het debat op 7 juni jl. met demissionair minister Slob over het NPO.

Ook de VO-raad heeft er bij de Tweede Kamer voor gepleit om - in lijn met het recente advies van de Onderwijsraad - het Nationaal Programma Onderwijs te verbinden aan structurele investeringen in het onderwijs. We vinden dit een urgent thema voor de kabinetsformatie. Het NPO is een ongekend forse investering, maar deze is wel incidenteel en biedt daarmee geen (structureel) antwoord op grote uitdagingen in het onderwijs, zoals de kansenongelijkheid, de basisvaardigheden die onder druk staan, en niet in de laatste plaats het lerarentekort en de onderwijsarbeidsmarkt. Deze knelpunten vragen om structurele aandacht en structurele investeringen. Op die manier kan de kwaliteitsimpuls die het NPO zal zijn, leiden tot duurzame verbetering van het onderwijs. 

De VO-raad heeft in aanloop naar het rondetafelgesprek over het Nationaal Programma Onderwijs van 26 mei en het Kamerdebat van 7 juni een position paper opgesteld. Naast het pleidooi voor het structureel maken van een deel van de middelen vragen we – evenals de Algemene Rekenkamer - aandacht voor duidelijke doelstellingen en heldere indicatoren, een solide monitoring en verantwoording, en verduurzaming van de kennisinfrastructuur.


Zorgen over uitvoering en looptijd 

Uit het Kamerdebat bleek dat er in de Tweede Kamer zorgen leven over de haalbaarheid van de uitvoering van het financieel omvangrijke programma. Is de opdracht aan de scholen voldoende helder? Hebben scholen voldoende tijd om de analyse te maken en schoolprogramma’s te ontwikkelen en voldoende deskundigheid om interventies op verantwoorde wijze in te zetten? Daarbij legden een aantal fracties de koppeling met het lerarentekort en de zorg dat vooral commerciële aanbieders gaan profiteren van de grote hoeveelheid middelen die er incidenteel beschikbaar komen. Hoe voorkomen we dat publiek geld weglekt naar de markt? Enkele fracties deden een oproep aan de minister om afspraken te maken met bestuurders over het ruimhartig bieden van vaste contracten aan onderwijspersoneel en ‘een gezamenlijke ban’ op het werken met uitzendconstructies.

Verschillende fracties spraken hun verbazing en ongenoegen uit over de rol van het ministerie van Financiën bij de totstandkoming – en vooral de looptijd – van het programma van twee schooljaren. Een van de manieren om de scholen meer lucht te geven, is deze looptijd - al dan niet naar keuze van de school -  te verlengen met een of twee schooljaren. De fracties waren echter verdeeld over de wenselijkheid hiervan. Het risico dat hierdoor de politieke en maatschappelijke druk wegvalt om structureel extra middelen vrij te maken bij de kabinetsformatie en dat noodzakelijke investeringen in het onderwijs op de lange baan worden geschoven is groot: ‘incidenteel geld wordt niet structureler als je het uitsmeert over vier jaar’ (D66). De VO-raad deelt deze zorg van de Kamerleden. 

Minister Slob is de Tweede Kamer tegemoet gekomen door de toezegging dat in het voorjaar van 2022 de balans wordt opgemaakt. ‘Dat is het moment om te bepalen of we het gaan redden om de achterstanden binnen twee jaar in te lopen’. De minister is geen voorstander van het oprekken naar vier jaar, want ‘dan verdwijnt mogelijk de urgentie’. Hij gaf ook aan dat er in het voorjaar van 2022 ook financieel nog bijgestuurd kan worden. 

Duidelijkheid over financiën nodig 

De VO-raad heeft aangedrongen op snelle duidelijkheid over de extra financiën vanuit het NPO voor leerlingen met een lage sociaaleconomische status. De minister heeft toegezegd dat hierover in juni duidelijkheid komt en dat scholen met behulp van een berekeningstool kunnen zien op welk bedrag zij kunnen rekenen bovenop het basisbedrag (de basisbedragen zijn 700 euro per leerling voor schooljaar 2021/2022 en ongeveer 500 euro per leerling voor schooljaar 2022/2023). 

Moties 

Tijdens het debat zijn twintig moties ingediend. Deze gaan onder andere over het eventueel verlengen van de looptijd van het programma, het stimuleren van vaste contracten in de sector en het specifiek toebedelen van de middelen aan scholen met veel achterstandsleerlingen. Over deze en andere moties wordt op dinsdag 15 juni gestemd.