Financieel beleid

De financiële positie van middelbare scholen is over het algemeen goed. Dat betekent in dit geval dat er voldoende beschikbare reserves zijn om financiële tegenvallers op te vangen. Deze goede positie levert ook discussie op: als de reserves te ruim zijn, komt het dan wel ten goede aan het onderwijs?

Financiële ontwikkelingen

De VO-raad informeert scholen en schoolbesturen over actuele financiële ontwikkelingen.

Loon- en prijsbijstelling

Jaarlijks worden de bekostigingstarieven eind juni/begin juli aangepast aan de hand van loon- en prijsbijstelling. Dit percentage kan weer gebruikt worden bij het maken van de (meerjaren)begroting van het bevoegd gezag.

De loon- en prijsbijstelling is opgebouwd uit 85% van de loonontwikkeling en 15% van de prijsontwikkeling. De prijsontwikkeling wordt gebaseerd op CPB-cijfers van maart in het betreffende jaar en het loondeel is onder andere gebaseerd op de contractloonontwikkeling in de marktsector.

Tarieven van bekostiging vo

Met de vereenvoudiging van de bekostiging is met ingang van 2022 een einde gekomen aan een bekostigingssystematiek die vooral veel parameters kende en daardoor onoverzichtelijk en slecht voorspelbaar. Bij de vereenvoudiging wordt voor de basisbekostiging alleen nog maar een tarief gehanteerd voor een hoofdvestiging, een nevenvestiging en een bedrag per leerling dat wel nog wordt uitgesplitst in twee verschillende bedragen.

In aanvulling op de basisbekostiging bestaan er tarieven voor een geïsoleerde vestiging (geïsoleerd wil zeggen geen zelfde aanbod binnen een straal van 8 km, voor PRO geldt 20 km), geïsoleerde brede scholen en vestigingen met een volledig breed aanbod.

Netwerk bedrijfsvoering en financiën

De VO-raad organiseert jaarlijks drie netwerkbijeenkomsten voor professionals in het voortgezet onderwijs die gaan over bedrijfsvoering en financiën. Deelnemers aan dit netwerk zijn voornamelijk controllers maar ook functionarissen op het gebied van bedrijfsvoering in de bredere zin: bv. hoofden bedrijfsvoering en hoofden financiën. Onderwerpen kunnen gaan over bekostiging, subsidies, verantwoording en mogelijke andere onderwerpen als huisvesting/grootonderhoud of ict. Naast het ‘halen’ van informatie kunnen deelnemers een actieve bijdrage leveren door het delen van casuïstiek waardoor leren van en met elkaar een goede plek in het overleg krijgt.

Wil je vanuit jouw organisatie deel uitmaken van dit netwerk bedrijfsvoering en financiën dan kun je je aanmelden via het secretariaat van de VO-raad via secretariaatbeleid@vo-raad.nl. Na aanmelding ontvang je een formulier waarop je je beschikbaarheid kunt aangeven voor de bijeenkomsten. In aanloop van elke bijeenkomst ontvang je dan de agenda en achteraf de presentatie.

De bijeenkomsten vinden in 2026 plaats op:

5 maart 2026 van 10.00 – 12.00 uur, (VOL met wachtlijst)
18 maart 2026 van 10.00 – 12.00 uur (VOL met wachtlijst)

17 juni 2026 van 10.00 – 12.00 uur (VOL met wachtlijst)
18 juni 2026 van 13.30 – 15.30 uur (VOL met wachtlijst)

27 oktober 2026 van 10.00 – 12.00 uur (VOL met wachtlijst)
4 november 2026 van 13.30 – 15.30 uur (VOL met wachtlijst)

We zijn beperkt in onze beschikbare plekken. Mocht je je hebben opgegeven maar alsnog niet kunnen, niet erg, maar geef het even door aan het secretariaat. Zo weten we wie en hoeveel mensen we uiteindelijk kunnen verwachten én kunnen we, in geval van een wachtlijst, andere mensen alsnog uitnodigen.

Subsidies en aanvullende bekostiging

De basisbekostiging kan aangevuld worden door een aanvullende bekostiging en/of aan te vragen (OCW) subsidies. Nu veel NPO-middelen aflopend zijn of soms omgezet naar structurele bekostiging is een overzicht gemaakt van deze in het vo beschikbare middelen.

Het hieronder te downloaden overzicht kent eerst een opsomming van aan te vragen beschikbare subsidies met korte omschrijving, enkele kerngegevens en links naar de diverse regelingen.
Na de subsidies is nog een kort overzicht van aanvullende bekostiging. Voor deze bekostiging is geen aanvraag nodig.

Mis je er een bestaande subsidie? Geef het dan door aan paulhuisman@vo-raad.nl.

Bestuursverslag

Het bestuursverslag is een logisch middel om informatie over financiën en beleid te verzamelen en te structuren. Het schoolbestuur deelt het verslag met stakeholders om zich te verantwoorden en om het gesprek over het gevoerde beleid te voeren. Idealiter is de informatie in het verslag ook bruikbaar om een breder beeld van de sector te verkrijgen. Met die doelen is door een werkgroep van schoolorganisaties en controllers een format met een werkbare en overzichtelijke structuur ontwikkeld, dat aan alle wettelijke vereisten voldoet. De handreiking wordt ieder jaar aangescherpt en geüpdatet.

Treasurystatuut

Beheer van tijdelijk overtollige middelen of tijdelijke tekorten

Voor schoolorganisaties in het voortgezet onderwijs is het hebben van een treasurystatuut verplicht. Het algemene uitgangspunt bij een treasurystatuut is dat het financiële beleid en het beheer van de instelling dienstbaar is aan het realiseren van de publieke doelstellingen, en is daartoe op transparante wijze gericht op financiële continuïteit.

Om de liquiditeitspositie zo goed mogelijk aan te laten sluiten op de liquiditeitsbehoefte, wordt er periodiek en minimaal eens per jaar, een liquiditeitsprognose opgesteld, die een periode van vijf jaar beslaat. In het geval dat de liquiditeitspositie meer aandacht verdiend is een prognose op maandniveau echter nadrukkelijk aan te bevelen.

Sinds 1 juli 2016 vervangt de Regeling beleggen, lenen en derivaten 2016 (BL&D) de Regeling beleggen en belenen van 2010. Als gevolg hiervan zijn schoolbesturen per 1 oktober 2016 verplicht om een treasurystatuut vast te stellen dat voldoet aan de eisen van de nieuwe regeling. Hier lees je meer over deze eisen en kun je een handreiking voor het opstellen van een treasurystatuut downloaden.

In het treasurystatuut moet het volgende geregeld zijn (artikel 3, lid 1):

  1. de hoofdlijnen van de op het beleggen en lenen betrekking hebbende administratieve organisatie en het interne toezicht, waaronder in ieder geval de verdeling van taken en bevoegdheden;
  2. de voor de instelling toegestane beleggings- en leningsvormen;
  3. de bijbehorende informatievoorziening, minimaal bestaande uit een kasstroomprognose over vijf jaar en de verantwoordingsinformatie, en
  4. de wijze waarop onderscheid wordt gemaakt tussen publieke middelen en overige middelen enerzijds en niet-publieke middelen anderzijds.

Voor organisaties die gebruikmaken van derivaten worden nog een aantal aanvullende eisen gesteld. Het is de taak van de toezichthouder om te toetsen of deze eisen geïntegreerd zijn in de interne organisatie.

De aanwezigheid van een treasurystatuut dat aan de eisen voldoet, is via het onderwijs accountantscontroleprotocol onderdeel van de accountantscontrole geworden. Schoolbesturen die nog geen treasurystatuut conform de nieuwe regeling BL&D hebben, dienen deze dus in ieder geval voor de komende accountantscontrole (opnieuw) vast te stellen. Onderstaand vindt u een raamwerk voor een treasurystatuut conform de nieuwe regeling. Afhankelijk van in hoeverre een bestuur belegt, kan het raamwerk worden aangepast op de specifieke situatie van het schoolbestuur.

Handreiking treasurystatuut

Raadpleeg hier een voorbeeld voor het opstellen van een treasurystatuut dat voldoet aan de eisen van de huidige regeling.

Overige wijzigingen

Naast de verplichting om een treasurystatuut te hebben vastgesteld dat aan de eisen voldoet, geven we een overzicht van de overige wijzigingen in de regeling BL&D ten opzichte van de Regeling beleggen en belenen van 2010.

Financiële ondernemingen

Financiële instellingen moeten tenminste een A-rating hebben. Dit is een verlaging van de eis ten opzichte van de vorige regeling (toen gold dit alleen voor beleggingen van maximaal 3 maanden). Deze ratingeisen gelden ook voor staatsobligaties van de genoemde lidstaten. De te gebruiken ratings zijn beperkt tot Moody’s, Fitch en Standard and Poor’s.

Derivaten, beleggingen en leningen

Het beleggen in derivaten was in de vorige regeling al toegestaan, in de nieuwe regeling zijn de voorwaarden hiervoor echter aangescherpt tot het alleen beperken van opwaartse renterisico’s bij leningen. Bij het afsluiten van producten worden deze vooraf ter kennisneming aan de interne toezichthouder gestuurd.

Ten aanzien van leningen is nu expliciet opgenomen dat schoolbesturen aan niets/niemand een lening mag verstrekken, tenzij die lening nodig is in het kader van het uitvoeren van de wettelijke taak en past binnen het doel van de organisatie.

Niet-professionele belegger

In de regeling wordt onderscheid gemaakt tussen wel of niet-professionele belegger. Schoolbesturen in het primair onderwijs worden aangemerkt als niet-professionele belegger, waardoor zij enerzijds meer beschermd zijn in hun contacten met banken en anderzijds minder ruimte krijgen bij beleggingen en derivaten

Externe Verantwoording

Nog steeds moet verslag gedaan worden in het bestuursverslag van het gevoerde beleid en uitvoering ten aanzien van, de soorten, omvang en de looptijden van beleggingen, leningen en derivaten (treasuryverslag). Ten opzichte van de vorige regeling wordt de verantwoording uitgebreid met:

Extern toezicht

De Inspectie van het Onderwijs beoordeelt minimaal eenmaal per jaar of een instelling zich in voldoende mate houdt aan de regelgeving op het gebied van derivatentransacties en neemt gepaste actie bij tekortkomingen of risico’s. Dit vindt met name plaats via de accountantscontrole, waarvoor de Inspectie van het Onderwijs jaarlijks het Onderwijsaccountantscontroleprotocol vaststelt. In dit protocol staat dat de accountant daarnaast ook moet controleren op de aanwezigheid van een treasuryverslag dat aan de eisen voldoet.

Risicomanagement

Politiek en samenleving eisen in toenemende mate dat scholen onderwijsgelden zo effectief mogelijk inzetten. Daarnaast maakt de aandacht voor de hoogte van reserves het noodzakelijk om het bewustzijn en de kennis te vergroten met betrekking tot goed risicomanagement en een goede invulling van de continuïteitsparagraaf.

Scholen worden – al dan niet door onzekere politieke besluitvorming – met regelmaat geconfronteerd met risico’s. Voorbeelden van dergelijke risico’s zijn onvoldoende bekostiging vanuit de overheid, incidentele inkomsten die wegvallen, incidenten met een negatief effect op het imago van de school en een onevenwichtige samenstelling van het personeelsbestand.

De VO-raad ontwikkelde een aantal hulpmiddelen dat scholen helpt invulling te geven aan hun risicomanagement. De basis van de documenten is gelegd door het Nederlands Adviesbureau voor Risicomanagement.

Hulpmiddelen:

Het normenkader IBP heeft een groeipad in 5 fases uitgezet waarbij in fase 2 aandacht is het deelproject ‘beheersen van risico’s’. Ook dit kunt u gebruiken in het totaal van risicomanagement.

Er zijn veel partijen in de markt die schoolorganisaties kunnen helpen bij het maken van risicomanagementbeleid, het in kaart brengen en prioriteren van risico’s, het ontwerpen van beheersmaatregelen en het bepalen van een gewenst buffervermogen voor restrisico’s.

Wanneer je met een dergelijke partij in zee gaat, realiseer je dan dat risicomanagement niet slechts een financiële exercitie is. Betrek diverse gremia en functies bij het proces zodat er een breed beeld ontstaat van mogelijke risico’s, zowel de operationele als ook de strategische en tactische risico’s.

In veel instellingen opereren de financiële en onderwijskundige functies nog erg los van elkaar en is de koppeling tussen bestedingen en (strategische) doelen soms nog onduidelijk. De VO-raad biedt in samenwerking met de VO-academie het een leertraject Beleidsrijk ontwikkelen en begroten aan. Financials, schoolleiders én bestuurders gaan als ‘driehoek' driehoek' gezamenlijk aan de slag om binnen de eigen organisatie de samenhang tussen onderwijs (visie en strategische doelstellingen) en financiën te verbeteren om op die manier tot een (meer) beleidsrijke begroting te komen.

Heb je vragen over risicomanagement in het algemeen of het leertraject in het bijzonder? Stuur dan een e-mail naar Paul Huisman, senior beleidsadviseur VO-raad: paulhuisman@vo-raad.nl

Schatkistbankieren

Schatkistbankieren betekent dat instellingen de financiële middelen aanhouden bij het ministerie van Financiën (de schatkist). De school krijgt dan een rekening-courant bij de schatkist met de middelen. Vanaf de eigen bankrekening van de school wordt geld naar en van de bankrekening van de schatkist overgeboekt. Voordeel is bijvoorbeeld dat de schatkist een aantrekkelijke rente rekent over leningen.

In het adviesrapport ‘Een lastig gesprek’ van de Commissie Behoorlijk Bestuur wordt gesteld dat schatkistbankieren voor bijvoorbeeld onderwijsinstellingen als gewoonte zou moeten gelden. Hierdoor is in de afgelopen periode steeds meer aandacht ontstaan voor schatkistbankieren.

De VO-raad verwijst scholen die interesse hebben in deelname naar het Agentschap van de Generale Thesaurie (Dutch State Treasury Agency) van het ministerie van Financiën. Dit agentschap biedt praktische informatie en uitleg rond de mogelijkheden, voorwaarden en hoe scholen dit op een goede manier kunnen regelen.

Paul Huisman

Senior beleidsadviseur bekostiging en bedrijfsvoering

paulhuisman@vo-raad.nl