Financieel beleid

De financiële positie van middelbare scholen is over het algemeen goed. Dat betekent in dit geval dat er voldoende beschikbare reserves zijn om financiële tegenvallers op te vangen. Deze goede positie levert ook discussie op: als de reserves te ruim zijn, komt het dan wel ten goede aan het onderwijs?

Eigen Vermogen

Schoolorganisaties hebben goede redenen om financiële reserves aan te houden. Zij moeten in staat zijn om aan hun verplichtingen op korte en langere termijn te voldoen terwijl er ook goed zicht moet zijn op toekomstige risico’s die kunnen optreden (risicomanagement, continuïteitsparagraaf).

En hoewel de voorspelbaarheid van de bekostiging sinds de vereenvoudiging in 2022 beter is geworden blijft er nog steeds een zekere mate van onvoorspelbaarheid over als gevolg van beschikbare incidentele middelen en vaak late informatie ten aanzien van de loon- en prijsontwikkeling.

Al met al kan dit tot gevolg hebben dat er met regelmaat 'defensief' begroot wordt waardoor er aan het eind van een jaar een positief exploitatieresultaat ontstaat en als gevolg daarvan de reserves toenemen.

Het eigen vermogen wordt niet alleen gevormd door de aanwezige (bestemmings)reserves maar ook door activa zoals huisvesting (bij doordecentralisatie), onderhoud (indien gekozen voor activeren) en leermiddelen (zoals bijvoorbeeld ict-voorzieningen).

Het exploitatieresultaat, zowel begroot als gerealiseerd geeft op (vo) sectorniveau over de laatste vijf jaar, 2020-2024, het volgende beeld:

bron: OCW dashboard FPO 2024

Zichtbaar is dat schoolorganisaties wel vaker negatief begroten maar er uiteindelijk toch sprake is van een positief resultaat.

In het kader van de afbouw van mogelijk bovenmatige vermogens (zie: signaleringswaarde) roept de VO-raad al enkele jaren op om minder defensief te begroten en bijvoorbeeld ook in te spelen op de te verwachte loon- en prijscompensatie (zowel aan de lasten- als batenkant).

Signaleringswaarde, mogelijk bovenmatig eigen vermogen

De Inspectie van het Onderwijs is kritisch over de hoogte van reserves van schoolorganisaties in het voortgezet onderwijs. Om te bepalen of er sprake is van een mogelijk te hoge reserve op bestuursniveau is door OCW een signaleringswaarde ontwikkeld, het Normatief Eigen Vermogen (of: Mogelijk Bovenmatig Publiek Eigen Vermogen, MBPEV); deze waarde geeft de bovengrens aan van deze reserves.

De inspectie benadrukt hierbij dat deze signaleringswaarde voor de reserves geen norm is maar een startpunt voor een gesprek met betreffende bestuur. Een bestuur kan immers goede redenen hebben om tijdelijk meer eigen vermogen aan te houden dan de signaleringswaarde aangeeft.

De signaleringswaarde is als volgt opgebouwd: + 0,5 * aanschafwaarde gebouwen * 1,27 (=financieringsfunctie EV) + Boekwaarde resterende materieel vaste activa + Omvangafhankelijke rekenfactor (=bufferfunctie) = Normatief Eigen Vermogen (of: MBPEV)

De bufferfunctie (omvangafhankelijke rekenfactor * totale baten) wordt hierbij als volgt berekend: - 5% voor besturen met totale baten groter of gelijk aan € 12 miljoen - onder de € 12 miljoen loopt de rekenfactor geleidelijk op van 5% tot uiteindelijk 10% bij besturen met totale baten van € 3 miljoen - voor besturen met totale baten minder dan € 3 miljoen wordt geen rekenfactor toegepast, maar een vaste risicobuffer van € 300.000,-

Hoewel de signaleringswaarde bedoeld is als een startpunt voor het gesprek met de Inspectie is al langere tijd wetgeving in voorbereiding waarbij handhaving en sanctionering mogelijk wordt als blijkt dat een bestuur niet goed kan uitleggen waarom er sprake is van een bovenmatig vermogen (lees: een vermogen groter dan de signaleringswaarde).

Op sectorniveau bestaat het volgende beeld van het MBPEV over de meest recente 5 jaar:

bron: OCW dashboard FPO 2024

Van 2020 tot en met 2022 is een toename te zien van het mogelijk bovenmatig eigen vermogen. Dit heeft als belangrijkste oorzaak de vele extra middelen die de sector ontvangen heeft vanuit onder andere het Nationaal Programma Onderwijs en men dit niet allemaal in het jaar van verstrekking doelmatig heeft kunnen inzetten. Na 2022 is er weer een daling zichtbaar omdat de extra inkomsten verdwenen en de eventuele nog in bezit zijnde extra NPO middelen (vaak zichtbaar in de jaarrekening als NPO bestemmingsreserve) in de jaren erna alsnog zijn ingezet.

Indien het mogelijk bovenmatig vermogen voor deze NPO bestemmingsreserve wordt gecorrigeerd resteren er in 2024 nog 101 besturen met een MBPEV voor een totaal bedrag van € 304 miljoen.

Hoewel er hiermee sprake is van een significante daling geldt de oproep vanuit de VO-raad aan schoolorganisaties met een mogelijk bovenmatig publiek eigen vermogen nog steeds om een plan te maken hoe deze vermogens af te bouwen tot onder de signaleringswaarde.

Vanuit de VO-raad is richting OCW en de inspectie een oproep gedaan om opnieuw te kijken naar de opbouw van de signaleringswaarde. Hiervoor gelden de volgende argumenten:

Samenwerkingsverbanden

Ook samenwerkingsverbanden kennen een signaleringswaarde voor het Normatief Eigen Vermogen. Voor samenwerkingsverbanden is deze groot 0,035 × totale bruto baten met een, voor kleinere samenwerkingsverbanden, minimale risicobuffer van € 250.000,-.

Omdat bij de samenwerkingsverbanden ook sprake was van een bovenmatig vermogen én de politieke druk daar hoog was om deze af te bouwen zijn daartoe de nodige inspanningen verricht.

Door een in 2021 ingestelde ‘werkgroep M23’ met daarin vertegenwoordigd Netwerk LPO, Sectorraad swv vo, PO-Raad en VO-raad is begin 2021 een sectorplan geschreven waarna ook alle individuele samenwerkingsverbanden hun eigen afbouwplan indienden bij OCW. De werkgroep zou de afbouw monitoren en rapporteren aan OCW.

In september 2022 is de derde monitor aangeboden aan de minister. Hieruit bleek dat de reserves aanzienlijk minder waren gedaald dan gepland in het sectorplan en de rapportage uit de tweede monitor. Voor de verminderde afbouw waren diverse redenen:

Voor de 5 meest recente jaren geeft het mogelijk bovenmatig vermogen bij de samenwerkingsverbanden het volgende beeld:

bron: OCW dashboard FPO 2024

Toenmalig minister Wiersma besloot echter toch een generieke korting toe te passen op de bekostiging van alle samenwerkingsverbanden vanwege het achterblijven van de afbouw van de bovenmatige reserves. De generieke korting was zodanig ingericht dat samenwerkingsverbanden niet méér gekort werden dan (maximaal) het bovenmatig vermogen.

Tegen deze korting is door de samenwerkingsverbanden bezwaar gemaakt en volgens een uitspraak van Rechtbank Midden Nederland op 17 februari 2025, bleek deze korting onrechtmatig. In april 2025 werd door de staatssecretaris funderend onderwijs bekend gemaakt dat de generieke kortingen worden teruggedraaid via de beschikkingen zware ondersteuning van 2023.

Paul Huisman

Senior beleidsadviseur bekostiging en bedrijfsvoering

paulhuisman@vo-raad.nl