Helpdesk beantwoordt: bij wie ligt het initiatief voor een aanzegvergoeding en hoe wordt deze berekend?

14 december 2020

De helpdesk van de VO-raad helpt schoolbesturen bij vragen over onderwijs- en werkgeverszaken. Regelmatig geven we op deze site antwoord op een vraag die bij meer scholen speelt. Dit keer antwoord op de vragen of de werkgever het initiatief moet nemen tot uitbetaling van de aanzegvergoeding wegens niet (tijdige) aanzegging als bedoeld in artikel 10.3 cao vo en hoe wordt de aanzegvergoeding berekend?

Vraag: 

Moet de werkgever het initiatief nemen tot uitbetaling van de aanzegvergoeding wegens niet (tijdige) aanzegging als bedoeld in artikel 10.3 cao vo en hoe wordt de aanzegvergoeding berekend?

Antwoord:

Bij niet (tijdige) aanzegging als bedoeld in artikel 10.3 cao vo (en 7:668 BW) is de werkgever een aanzegvergoeding aan de werknemer verschuldigd ter hoogte van een maandsalaris bij niet aanzeggen en bij een te late aanzegging naar rato van de periode dat de werkgever te laat is met het aanzeggen (lid 3). Zie hierover het eerder gepubliceerde artikel op deze website. De werkgever kan de aanzegvergoeding uit eigen beweging  betalen, maar formeel ligt het initiatief bij de werknemer die de werkgever daarom moet verzoeken. Als de werkgever de aanzegvergoeding niet voldoet, kan de werknemer deze vorderen met een verzoekschrift bij de kantonrechter (alsmede de wettelijke rente vanaf de dag dat het contract is geëindigd). Een verzoek om de werkgever te veroordelen tot betaling van de aanzegvergoeding moet binnen drie maanden nadat de werkgever had moeten aanzeggen worden ingediend  (7:686a lid 4 sub e BW). Praktisch gezien binnen twee maanden nadat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is geëindigd, want pas dan is immers de definitieve hoogte van de aanzegvergoeding vast te stellen. De termijn van drie maanden betreft een vervaltermijn. Dat wil zeggen dat deze termijn – anders dan het geval is met een verjaringstermijn – niet kan worden gestuit/verlengd. Het verzoek aan de rechter moet echt binnen de vervaltermijn worden gedaan. Als dat niet gebeurt, komt de aanspraak op de aanzegvergoeding te vervallen).

Voor de berekening moet worden uitgegaan van het bruto maandloon exclusief vakantiebijslag,  eventuele toeslagen, bonussen, eindejaarsuitkering en vergoedingen zoals overwerkvergoedingen. Voor de bepaling van de hoogte van de vergoeding is de laatste maand van het contract bepalend. Telt die maand maar 30 dagen en zegt de werkgever bijvoorbeeld 5 dagen te laat aan, dan is de werkgever een vergoeding verschuldigd van 5/30e van het bruto maandloon. In geval van een wisselende arbeidsduur (zoals bij een min/max contract)moet voor de vaststelling van het loon voor de aanzegvergoeding gekeken worden naar het gemiddeld aantal gewerkte uren in de 12 maanden voorafgaand aan het einde van het contract. Heeft het contract nog geen 12 maanden geduurd, dan moet gekeken worden naar het gemiddeld aantal gewerkte uren over de hele looptijd van het contract. Bij de vaststelling van het gemiddeld aantal gewerkte uren worden periodes van verlof, staking of ziekte niet meegeteld. Als die periodes samen méér dan 1 maand betreffen, dan wordt de periode van 12 maanden ‘voorverlengd’ of, indien dat niet mogelijk is wordt de aanzegvergoeding pro rato vastgesteld.

De aanzegvergoeding heeft geen invloed op de hoogte van de uitkering die de werknemer in het kader van de sociale zekerheid ontvangt, zoals een WW-uitkering of een Ziektewetuitkering. De aanzegvergoeding wordt niet in mindering gebracht op deze uitkering en heeft ook niet tot gevolg dat deze uitkering later ingaat.