Staat van het Onderwijs 2026: De schoolleider maakt het verschil
De schoolleider vervult een sleutelpositie in het versterken van de onderwijskwaliteit in de school. Uit de Staat van het Onderwijs 2026 blijkt dat de tevredenheid onder schoolleiders groot is en dat schoolleiders enthousiast zijn over de inhoud van hun vak. Echter, de dagelijkse dynamiek op school en de hoge regeldruk weerhoudt veel schoolleiders ervan om genoeg tijd aan onderwijskundig leiderschap te kunnen besteden. Ook de vele uitdagingen waar het onderwijs mee te maken heeft - zoals veiligheid, digitalisering, personeelstekort, een veranderende leerlingenpopulatie, individualisering en prestatiedruk - zorgen ervoor dat schoolleiders en onderwijsprofessionals (te) vaak overvraagd worden.
Goed onderwijs is een gezamenlijke opgave binnen de school en de schoolleider belichaamt dat collectief als iemand die richting geeft, ruimte schept en steeds opnieuw het gezamenlijke belang voor ogen houdt. Het is dan ook van belang dat schoolleiders met hun team en besturen keuzes maken en in gezamenlijkheid werken. De tijd, ruimte en aandacht op scholen zijn immers beperkt en samen kom je verder. Dat is een van de hoofdboodschappen van de Inspectie van het Onderwijs in de Staat van het Onderwijs 2026.
Tijd vrijspelen voor onderwijskundig leiderschap is nodig
De Staat van het Onderwijs staat uitgebreid stil bij het gebrek aan tijd dat schoolleiders ervaren voor onderwijsontwikkeling en kwaliteitsverbetering vanwege organisatorische en administratieve taken die veel dagelijkse aandacht vergen. In haar voorwoord roept inspecteur-generaal Alida Oppers besturen op om die ruimte te bieden aan schoolleiders. De VO-raad onderschrijft het grote belang van meer tijd en ruimte voor onderwijskundig leiderschap. De schoolleider speelt een sleutelrol in het leidinggeven aan het gezamenlijk leren, organiseren en ontwikkelen in de school en het realiseren van een gedeelde schoolcultuur. Maar het creëren van tijd en ruimte ligt niet alleen en als eerste in handen van besturen.
De VO-raad ziet het juist als een belangrijke taak voor de overheid om de administratieve taken van schoolleiders en leraren te verminderen en helderheid te bieden over wat écht noodzakelijk is. De aanvraag en financiële verantwoording van subsidieregelingen staat hoog in het lijstje van taken die zorgen voor administratieve lastendruk. Ook zorgt meer en nieuwe wetgeving in combinatie met open normen voor extra administratieve druk. Het dreigen met financiële sancties voor het niet kunnen voldoen aan herstelopdrachten verhoogt de stress en werkt averechts.
Een analyse van PWC naar feiten en effecten van wet- en regelgeving op de Inspectie van het Onderwijs laat zien dat het aantal wetten en regels van de inspectie sinds 2005 is toegenomen met 236%. Dat betekent iets voor de inspectie als uitvoeringsorganisatie, maar natuurlijk ook voor besturen en scholen die zich daaraan moeten houden.
Veel (goede) initiatieven voor basisvaardigheden, maar resultaten blijven nog achter
Scholen maken - met gebruik van de extra subsidiemiddelen voor basisvaardigheden - volop werk van het versterken van met name taal- en rekenvaardigheden van leerlingen en zien daar op schoolniveau ook de effecten van. Zo hebben scholen leesbevorderingsprojecten en zetten zij steeds meer in op vakoverstijgend taal- en leesonderwijs. Daarbij maken ze ook steeds meer gebruik van de laatste wetenschappelijke inzichten, o.a. vanuit de Kennistafel Effectief Leesonderwijs.
Toch zien we het effect hiervan nog niet terug in de cijfers van de Staat van het Onderwijs over de onderbouw vo; met name in het vmbo ligt er nog een forse uitdaging, zoals ook blijkt uit recente Peil-onderzoeken.
De VO-raad juicht de inrichting van een Staatscommissie toe – die onderzoek doet naar de grondoorzaken van achterblijvende basisvaardigheden – en vindt het van belang om daarbij ook de actuele maatschappelijke en technologische ontwikkelingen en de rol van ouders/opvoeders te betrekken. Daarnaast ondersteunen we informatie-uitwisseling tussen scholen in effectieve methoden voor bevordering van de basisvaardigheden. We zijn blij dat er veel kennisuitwisselingsinitiatieven zijn, zoals de Inspiratiescholen taal- en leesonderwijs van de Kennistafel, die voorzien in de behoefte van scholen om van elkaar te leren en uit te wisselen.
De invoering van het geactualiseerde curriculum - waarin basisvaardigheden steviger verankerd zijn in de leergebieden en vakken - is in onze optiek een belangrijk vliegwiel om de kwaliteit van het onderwijs duurzaam te versterken en de basisvaardigheden naar een hoger plan te tillen. Dit kan alleen slagen als onderwijsprofessionals, ontwikkelaars van leermiddelen en/of toetsen, lerarenopleiders en ouders/verzorgers hierin gezamenlijk optrekken en op tijd van start gaan.
> Bekijk de pagina curriculumimplementatie
Havoleerlingen hebben meer tijd nodig voor behalen diploma
Leerlingen in 4 havo blijven vaker zitten en ook de slagingspercentages voor de havo liggen lager, vergeleken met andere schoolsoorten. Daarnaast is er een toename van de ongediplomeerde doorstroom naar het mbo. Slechts een op de drie havo-afdelingen voldoet daarmee aan de norm die de inspectie gesteld heeft voor de bovenbouw; een norm die in 2020 nog door de inspectie is opgehoogd. Het effect van die verhoging is - na een aanvankelijke vertraging door corona - nu onmiskenbaar zichtbaar in de inspectiecijfers.
De havo bovenbouw vervult van oudsher een essentiële schakel in het stelsel. In leerjaar 4 havo komen leerlingen immers uit verschillende onderwijssoorten samen (vanuit gl/tl, waarbij leerlingen een doorstroomrecht hebben, én vanuit vwo). Zij moeten direct aan de slag met de voorbereiding voor het eindexamen. Veel leerlingen hebben hier meer tijd voor nodig, maar bovendien sluit het havoprogramma inhoudelijk niet goed aan bij deze zo diverse leerlingenpopulatie.
Wiko Veenvliet en Raoul Majewski van het Havoplatform pleiten voor een grondige analyse naar de onderliggende oorzaken en het verhaal achter deze cijfers, bij voorkeur samen met het vervolgonderwijs. De onderzoeksvraag hierbij is: Wat heeft deze groep leerlingen aan onderwijs nodig om succesvol door te stromen naar het beroepsonderwijs?
Mede vanwege de bovenstaande ontwikkelingen is de VO-raad positief over de invoering van het praktijkgerichte programma in de havo. Veel havoscholen kiezen ervoor om dit hun leerlingen aan te bieden. Ook pleiten wij voor meer tijd voor maatwerk op groepsniveau. Het programmeren van extra tijd is nu wettelijk niet mogelijk, en de scholen die veel leerlingen deze extra tijd wel bieden lopen nu risico’s voor de kwaliteitsbeoordeling door de inspectie. Eerder hebben we – samen met tal van andere onderwijsorganisaties – gepleit voor een ingrijpende herziening van het onderwijsresultatenmodel van de inspectie. In dat model heeft snelheid nu een relatief groot gewicht. Ook worden ongediplomeerde havisten die bewust kiezen voor een overstap naar een mbo-opleiding in onze optiek ten onrechte negatief gescoord in dit model.
Veranderende blik op toezicht
De inspectie kiest er in deze editie van de Staat van het Onderwijs voor om ook stil te staan bij de rol van het onderwijstoezicht in de toekomst. De VO-raad vindt het positief dat de inspectie in het nieuwe Onderzoekskader 2027 een sterkere nadruk gaat leggen op de brede ontwikkeling van leerlingen en de route die leerlingen doorlopen in ons stelsel. Ook steunen we het voornemen dat het onderwijsresultatenmodel – dat nu vooral toeziet op rendement – een minder prominente rol krijgt in de beoordeling van scholen. We blijven dan ook graag in gesprek over de vormgeving van het nieuwe kader.
Lees de Staat van het Onderwijs
Op de website van de Onderwijsinspectie is de presentatie van de Staat van het Onderwijs 2026 terug te kijken. Ook vind je hier het rapport en een magazine met goede voorbeelden.






